Ik dacht dat we onze beste vrienden hielpen, maar langzaam werden we hun onzichtbare thuiszorg

De koffers stonden al drie dagen halfopen op de logeerkamer. Mijn vrouw Els had er briefjes op geplakt: medicijnen, wandelschoenen, oplader, reisverzekering. We zouden een week naar de Achterhoek gaan, niets bijzonders, een huisje bij Lochem. Fietsen, lezen, een keer ergens een uitsmijter eten. Voor ons voelde het als een grote vakantie, omdat we de afgelopen anderhalf jaar nauwelijks meer dan een middag ergens weg waren.

Op de ochtend dat we zouden vertrekken, belde Kees.

Hij zei niet eens hallo. Hij zei: „Marian is weg.”

Ik dacht eerst dat hij bedoelde dat ze overleden was. Zo klonk hij. Maar ze was gewoon naar buiten gelopen, in haar ochtendjas en op pantoffels. Ze was nog geen twintig minuten weg, uiteindelijk, maar Kees raakte volledig in paniek. Els en ik zijn meteen in de auto gestapt. Onze koffers bleven staan.

We vonden Marian twee straten verderop bij de bushalte. Ze wilde naar haar moeder, zei ze. Haar moeder is al veertig jaar dood.

Kees stond naast haar met een deken om zijn schouders, hoewel het niet koud was. Hij keek mij aan alsof ik een monteur was die eindelijk kwam opdagen. Els nam Marian mee naar binnen en zette thee. Ik zocht met Kees in zijn telefoon naar het nummer van de huisarts, omdat hij zelf niet meer wist wie hij moest bellen. Die middag was ineens voorbij.

Toen Els voorzichtig begon over hulp inschakelen, werd Kees stil. Eerst echt stil. Daarna zei hij dat Marian doodsbang zou worden van vreemde mensen in huis. En dat het nog niet zo erg was, als iedereen maar een beetje meehielp.

„Jullie kennen haar,” zei hij. „Jullie weten hoe ze vroeger was.”

Dat was precies het probleem. Wij kennen haar al sinds 1981.

We leerden Kees en Marian kennen op de camping in Zeeland. Onze kinderen waren klein, we hadden allebei een te kleine tent en te veel boodschappen bij ons. Daarna gingen we jarenlang samen op vakantie. Kerst, verjaardagen, verbouwingen, scheidingen van onze kinderen, de dood van mijn vader: zij waren er altijd. Kees haalde mij eens midden in de nacht op uit het ziekenhuis toen Els een operatie had gehad en ik geen auto bij me had. Marian heeft wekenlang gekookt toen ik zonder werk kwam te zitten na de sluiting van de drukkerij.

Je rekent dat soort dingen niet uit. Tenminste, dat dacht ik altijd.

In het begin hielpen we graag. Marian vergat afspraken, zette pannen op het vuur en liep dan naar boven om de was op te hangen. Kees vroeg of ik een rookmelder wilde ophangen. Els ging een keer per week mee boodschappen doen, omdat Marian anders met drie pakken kattenbrokjes thuiskwam terwijl ze geen kat hadden.

We vonden het ook zielig voor Kees. Hij is altijd een rustige man geweest, een beetje stug misschien, maar nooit iemand die om hulp vroeg. Hij zei steeds dat het tijdelijk was, tot hij beter wist wat er aan de hand was. De huisarts had al gezegd dat er onderzoek liep in het ziekenhuis. Kees noemde het geen dementie. Hij zei: „Ze is gewoon wat in de war de laatste tijd.”

Maar tijdelijk werd een rooster dat niemand hardop een rooster noemde.

Els belde elke ochtend even. Ik ging op maandag en donderdag langs. Als Kees naar de kapper moest, bleef Els bij Marian. Als Marian ’s avonds onrustig werd, appte Kees: ben je nog wakker? Soms ging het om iets kleins. Ze kon de afstandsbediening niet vinden. Ze dacht dat er iemand in de tuin stond. Een andere keer had ze haar portemonnee in de vriezer gelegd en beschuldigde ze Kees ervan dat hij geld achterhield.

Ik werd op een gegeven moment nerveus als mijn telefoon op tafel lag. Dat vind ik nog steeds naar om toe te geven.

Els en ik kregen er ruzie over, terwijl we bijna nooit ruzie hebben. Niet schreeuwen, zo zijn wij niet. Meer van die korte, harde zinnen in de keuken.

„Je had ook kunnen zeggen dat je vanmiddag niet kon,” zei Els als ik weer was gegaan.

„En wat moest ik dan? Hem laten zitten?”

„Nee, maar wij zitten ook vast, Henk.”

Ze had gelijk. Onze bridgeavond hadden we afgezegd. Een etentje met mijn broer ging niet door omdat Kees die middag naar de spoedpost was geweest; Marian had hem per ongeluk met een ovenwant geslagen omdat ze dacht dat hij een inbreker was. Het was achteraf bijna lachwekkend, maar toen niet. Els miste zelfs de verjaardag van onze kleindochter in Amersfoort, omdat Marian niet alleen wilde blijven toen Kees voor controle naar het ziekenhuis moest.

Onze dochter Anouk zei op een zondag: „Pap, jullie doen werk waarvoor normaal drie mensen worden ingepland.”

Ik reageerde geïrriteerd. Ik zei dat zij makkelijk praten had, met haar baan en haar oppas en haar drukke leven. Meteen daarna had ik spijt. Anouk probeerde ons niet weg te duwen; ze maakte zich zorgen. Maar ik wilde blijkbaar liever boos zijn dan toegeven dat ik het niet meer trok.

Die vakantie naar Lochem hebben we uiteindelijk afgezegd. Niet alleen vanwege die ochtend bij de bushalte. Marian mocht van Kees daarna geen moment alleen zijn. Hij zei het niet letterlijk als eis, maar hij belde diezelfde avond al met de vraag of Els de volgende dag een paar uur kon komen, omdat hij uitgeput was.

Els zei: „We zouden morgen weggaan, Kees.”

Hij zei: „Ja, dat weet ik. Maar dit kun je toch niet maken nu?”

Dat zinnetje bleef hangen. Niet omdat hij gemeen klonk. Hij klonk juist wanhopig. Alsof wij iets afpakten wat hem toekwam.

Els keek mij aan vanaf de eettafel. De koffers stonden nog steeds boven. Ik heb tegen Kees gezegd dat we zouden komen.

Pas twee dagen later hebben Els en ik de reis geannuleerd. We kregen een deel terug van de verhuurder, min administratiekosten. Het ging me niet eens om die 186 euro. Het ging erom dat ik ineens besefte dat wij geen plannen meer maakten zonder eerst te denken: kan Marian dan wel?

Vorige week zijn we bij hen gaan zitten om het te bespreken. Ik had van tevoren opgeschreven wat ik wilde zeggen, echt waar. Alsof ik naar een functioneringsgesprek moest. We wilden dat Kees contact opnam met de casemanager dementie via de huisarts, dat er thuiszorg of begeleiding kwam en dat hij met de gemeente zou kijken naar ondersteuning. Wij wilden best vrienden blijven. Koffie drinken, een wandeling maken als het kon, een keer koken. Maar geen nachtdiensten meer, geen dagelijkse beschikbaarheid, geen beslissingen die eigenlijk bij zorgprofessionals horen.

Kees werd rood in zijn gezicht. Marian zat ernaast en volgde het gesprek maar half. Op een gegeven moment zei ze tegen Els dat haar haar leuk zat. Els begon daarvan te huilen, heel zacht. Dat had ik nog niet eerder gezien.

Kees zei dat we haar wilden afschuiven. Dat mensen tegenwoordig iedereen meteen aan instanties overlaten. Ik zei iets doms terug, dat hij haar juist alleen liet door geen hulp toe te laten. Daar schrok ik van toen het eruit was.

Hij heeft ons daarna niet de deur uitgezet. Dat zou bijna makkelijker zijn geweest. Hij zei alleen: „Ik had jullie hoger ingeschat.”

Sindsdien belt hij nauwelijks. Gisteren stuurde hij een appje of ik zaterdag toch even een lamp kon vervangen in de gang. Ik heb geantwoord dat ik ’s middags kan komen, een uurtje. Niet eerder, want Els en ik gaan ’s ochtends naar de markt en daarna koffie drinken bij de Hema. Het klinkt belachelijk klein, maar ik heb het bewust zo geschreven.

Er staat nog steeds geen nieuwe vakantie gepland. Els wil eerst afwachten of Kees werkelijk hulp gaat regelen. Ik snap dat. Tegelijk mis ik hem. Ik mis ook Marian, zoals ze was: luid lachend, altijd te veel eten op tafel, altijd precies weten wie er ruzie had met wie.

Maar ik merk dat ik voor het eerst in maanden mijn telefoon niet naast mijn bed leg. Hij ligt beneden op de kast. Als er vannacht iets gebeurt, hoor ik hem waarschijnlijk toch wel.