Na 32 jaar wilde ik stoppen met onze maandelijkse etentjes, maar voor mijn man voelde dat alsof ik onze vrienden wegduwde
Vorige maand stond ik om half elf ’s avonds nog bakjes tiramisu af te wassen terwijl Kees op de bank zat met een glas whisky en zei dat het weer ‘ouderwets gezellig’ was geweest.
Ik zei niets terug. Niet omdat het niet gezellig was. Het was best gezellig geweest. Marjan had te veel wijn gedronken en een verhaal verteld over haar nieuwe buurvrouw, Theo had weer gedaan alsof hij geen toetje wilde en vervolgens twee stukken genomen. We kennen elkaar al sinds de kinderen op de basisschool zaten. Inmiddels zijn die kinderen allemaal de deur uit, sommigen wonen aan de andere kant van het land, en wij zijn nog over.
Maar ik voelde vooral mijn voeten. En mijn schouders. En het lijstje in mijn hoofd van alles wat ik de volgende ochtend nog moest doen: de stoelen terugzetten, de tafelkleden wassen, kijken of er geen rode wijn op het kleed in de kamer zat.
‘Het was leuk,’ zei ik uiteindelijk.
Kees keek me aan. ‘Maar?’
Ik weet niet waarom ik het juist toen zei. Misschien omdat ik moe was en geen zin meer had om het netjes te verpakken.
‘Ik wil hiermee stoppen.’
Hij dacht eerst dat ik de afwas bedoelde. Daarna lachte hij een beetje, maar toen hij zag dat ik niet meelachte, werd hij stil.
Al tweeëndertig jaar hebben we met dezelfde zeven stellen een maandelijkse eetavond. Eerst was het om de beurt bij iemand thuis. Dat hield misschien drie avonden stand, want bij de meeste mensen werd het toch: “Zeg maar wat ik mee moet nemen, Anja.” Ik vond dat toen niet erg. Ik werkte vier dagen per week bij de gemeente, de kinderen waren klein, alles was druk, maar ik kreeg energie van dat geregel. Een menu bedenken, iemand erbij betrekken die wat stiller was, rekening houden met vegetarisch eten zodra dat bij één van de dochters van vrienden speelde. Het gaf me het gevoel dat ik ergens goed in was.
Langzaam werd ik degene die de datumprikker stuurde, de appgroep bijhield, wist wie geen koriander lustte en wie net een heupoperatie achter de rug had. Als iemand zei dat het bij hen thuis rommelig was of dat ze nergens aan toe kwamen, zei ik automatisch: ‘Dan doen we het gewoon hier.’
Ik had ook nooit gevraagd of iemand het van me verwachtte. Ik deed het gewoon.
Sinds ik vorig jaar met pensioen ben, is er iets verschoven. Iedereen zei: nu heb je eindelijk tijd. Maar ik ontdekte juist hoeveel tijd ik vroeger niet had om ergens níét naartoe te hoeven. Een ochtend zonder plannen. Een boek uitlezen zonder steeds op mijn telefoon te kijken. Met Kees naar de markt fietsen en pas om twee uur bedenken wat we eten. Geen volle agenda meer die ik zelf had gemaakt en vervolgens verdedigde alsof hij door de overheid was opgelegd.
Ik ben begonnen met opruimen. Niet fanatiek met witte mandjes en etiketten, hoor. Maar wel wegdoen wat ik niet gebruik. Servies dat alleen uit de kast komt als er twaalf man eet. Schalen waarvan ik niet eens wist dat ik ze had. Kees vindt het soms overdreven. Hij zei laatst: ‘Straks houden we alleen twee borden en een pan over.’
Dat is helemaal niet mijn plan. Ik wil alleen niet meer leven alsof er ieder moment een gezelschap van twintig mensen kan aanbellen.
Toen ik tegen Kees zei dat ik met de eetavonden wilde stoppen, zei hij: ‘Maar dat is toch ons sociale leven?’
Daar zat precies het probleem. Voor hem was het ons sociale leven. Voor mij was het ook werk geworden.
Kees belt makkelijk iemand op. Hij gaat met Theo naar voetbal, drinkt koffie met buurman Henk, maakt overal een praatje. Hij heeft na zijn pensioen nog twee dagen in de week bij zijn oude bedrijf geholpen, vooral omdat hij anders thuis gek werd. Ik ben anders. Ik vind mensen nog steeds leuk, echt. Maar na een middag met veel geluid en verhalen heb ik een dag nodig waarop niemand iets van me wil.
Hij zei dat ik mezelf aan het isoleren was. Dat mensen na deze leeftijd zomaar uit beeld verdwijnen als je niet blijft investeren. Daar heeft hij ook wel een punt. We hebben het gezien bij Els, die na haar scheiding eerst minder vaak kwam en toen helemaal niet meer. Achteraf zei iedereen dat ze haar vaker hadden moeten bellen. Maar op dat moment gingen we er allemaal vanuit dat ze wel zou laten weten als er iets was.
Toch maakte Kees van mijn behoefte aan rust meteen iets zorgelijks. Hij vroeg of ik somber was. Of ik misschien met de huisarts moest praten. Dat maakte me boos, veel bozer dan ik verwacht had.
‘Omdat ik geen twaalf mensen meer wil voeren, ben ik ineens depressief?’ zei ik.
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je zegt het wel, alleen netter.’
De week erna stuurde ik in de appgroep een bericht. Ik heb er uren op zitten typen en wissen. Uiteindelijk schreef ik dat ik vanaf het najaar niet meer iedere maand de organisatie op me wilde nemen en dat ik liever naar eens per kwartaal wilde, afwisselend bij elkaar of misschien soms gewoon lunchen buiten de deur.
De reacties kwamen snel.
Marjan stuurde drie hartjes en: “Natuurlijk lieverd, je moet aan jezelf denken.” Vijf minuten later belde ze me op om te vragen of alles wel goed ging tussen Kees en mij.
Theo schreef: “Jammer, maar begrijpelijk.” Daarna vroeg hij in een privébericht of we soms financiële problemen hadden, omdat uit eten natuurlijk duurder is dan bij ons thuis.
De reactie die het meest bleef hangen kwam van Irene: “Ik vind het eerlijk gezegd verdrietig. Dit is altijd jouw initiatief geweest. Zonder jou valt de groep waarschijnlijk uiteen.”
Ik snap dat ze het verdrietig vond. Maar ik vond het ook pijnlijk dat ze blijkbaar al die jaren dacht dat de groep zonder mijn boodschappenlijstjes niet bestond.
Bij de volgende koffie met Marjan zei ze dat ze best een paar keer wilde koken, maar dat zij echt niet kon organiseren ‘zoals jij dat doet’. Dat bedoelde ze als compliment. Ik hoorde vooral dat het weer bij mij terecht zou komen zodra het ingewikkeld werd.
Kees en ik hebben er een paar avonden ruzie over gehad. Niet schreeuwen, eerder dat nare soort gesprek waarbij je allebei zachter gaat praten omdat je bang bent voor wat je anders zegt. Hij zei dat ik onze vrienden strafte voor iets waar zij niets aan konden doen. Ik zei dat hij best zelf een datum kon prikken en mensen kon bellen.
Daar reageerde hij niet meteen op.
Twee dagen later maakte hij, tot mijn verbazing, een schema. Hij belde Theo en Farid, en die wilden allebei wel eens een avond doen. Niet met voorgerecht-hoofdgerecht-nagerecht en een zorgvuldig uitgekozen wijn, maar gewoon chili, stokbrood en koffie na. Kees keek bijna opgelucht toen hij de telefoontjes had gepleegd.
De eerste avond zonder mij als gastvrouw is volgende week bij Farid en Sonja. Ik ga wel. Ik heb zelfs aangeboden een salade mee te nemen, wat ik meteen weer typisch mezelf vond. Maar ik ga niet om drie uur ’s middags alvast snijden en ik neem geen reserve-dessert mee voor het geval iemand iets vergeet.
Vanmorgen heeft Kees gevraagd waar de grote ovenschalen liggen. Ik zei dat ik ze vorige maand naar de kringloop heb gebracht.
Hij keek me aan alsof ik een klein stuk van onze geschiedenis had weggegooid. Daarna zei hij: ‘Dan kopen we er wel één.’
Dat was niet warm of verzoenend. Maar het was wel de eerste keer dat hij niet vroeg of ik het voor hem wilde oplossen.