Sinds het oude dorpshuis ter sprake kwam, voelt onze vrijdagavond niet meer als vanzelfsprekend

Toen we drie jaar geleden vanuit Amersfoort naar Molenwaard verhuisden, kende ik hier niemand. We wilden kleiner wonen, dichter bij de weilanden, geen gedoe meer met een tuin waar je elk weekend twee dagen aan kwijt bent. Dat laatste is trouwens niet gelukt. Onze tuin is klein, maar Henk heeft inmiddels een schuurtje, een regentonconstructie en plannen voor een afdak waar ik niet om heb gevraagd.

In het begin vond ik het dorp vooral stil. Na achten hoorde je soms nog een trekker, verder niks. Ik miste mijn collega’s van de bibliotheek en de gewoonte om even de stad in te lopen. Henk bloeide juist op. Binnen twee maanden hielp hij buurman Koos met een lekkende dakgoot. Daarna stond hij bij Marije en Arno een schutting recht te zetten. Voor ik het wist, hadden we een vaste vrijdagavondgroep: wij, Koos en Bep, Arno en Marije, en sinds vorig jaar ook Sjoerd en Lian.

Om de beurt kookt iemand. Niet ingewikkeld, meestal stamppot, pasta of iets van de slager in het volgende dorp. We drinken te veel wijn, klagen over de huisarts die alleen nog terugbelt, en helpen elkaar als er iets kapotgaat. Toen Bep haar enkel brak, maakten we een rooster voor boodschappen en de hond. Toen onze cv-ketel in januari ermee ophield, stond Koos om half negen ’s avonds in onze bijkeuken met een zaklamp, hoewel hij er uiteindelijk ook niets aan kon doen.

Ik was daar dankbaar voor. Echt. Misschien juist daarom ben ik zo bang om het kwijt te raken.

Het begon met het oude pand naast de voormalige Rabobank. Vroeger zat er een fietsenmaker in, hoorde ik. Het staat al jaren leeg. De ramen zijn dichtgetimmerd, er groeit klimop langs de zijmuur en als het hard waait, klappert er ergens een stuk zink.

Henk kwam op een woensdag thuis van zijn ochtendkoffie bij de dorpswinkel en zei: “Ze willen dat pand verkopen. Niet voor niks natuurlijk, maar wel betaalbaar.”

Ik dacht dat hij een werkplaats voor zichzelf bedoelde. Hij heeft zijn hele leven in de installatietechniek gewerkt en mist het duidelijker dan hij toegeeft. Maar twee dagen later had hij al een map gemaakt. Met foto’s, een globale begroting en een lijstje met mogelijkheden: werkbanken, een gezamenlijke klusruimte, een hoek voor schilderen, een lange tafel voor cursussen of kaartavonden.

“Een soort dorpswerkplaats,” zei hij. “Van ons allemaal. Niet commercieel. Gewoon samen.”

Ik zei niet meteen nee. Dat is ook iets waar Henk later gelijk in had: ik deed eerst alsof ik erover na wilde denken, terwijl ik in mijn buik al wist dat ik het niet wilde. Ik zag meteen discussies voor me. Wie betaalt als het dak vervangen moet? Wie heeft de sleutel? Wat als Arno weer overal zijn gereedschap laat liggen? Wie doet de administratie? En vooral: wie zegt er nog eerlijk dat hij ergens geen zin in heeft als iedereen elke vrijdag tegenover elkaar zit met een bord eten?

Henk zei dat ik alles te groot maakte.

“Je hoeft er niet eens veel mee te doen,” zei hij. “Maar je kunt toch zien dat dit goed is voor het dorp?”

Dat zinnetje bleef hangen. Alsof ik tegen het dorp was. Alsof ik een soort spelbreker was omdat ik liever een rustige vrijdagavond had dan vergaderen over brandverzekeringen en offertes.

Op een vrijdag had Henk zijn map meegenomen. Zonder het me echt te zeggen. Hij zette hem na het hoofdgerecht op tafel, tussen de lege schalen en de fles rode wijn van Sjoerd.

Iedereen werd enthousiast. Nou ja, bijna iedereen. Koos begon direct over gereedschap dat hij nog had van zijn broer. Marije zag workshops keramiek voor zich. Lian zei dat het misschien ook fijn was voor jongeren, al zijn er hier nauwelijks jongeren behalve die van de voetbalclub.

Bep keek naar mij. Zij is niet iemand die hard praat, maar ze ziet alles.

“En jij, Els?” vroeg ze.

Ik voelde Henk naast me stil worden.

Ik zei: “Ik vind het een mooi idee, maar ik weet niet of je vriendschap en zoiets met geld en verplichtingen door elkaar moet halen.”

Er viel geen enorme stilte, zoals in films. Arno schepte gewoon nog wat salade op. Maar het gesprek kreeg een andere toon. Sjoerd zei dat je duidelijke afspraken kon maken. Marije zei dat je juist samen iets opbouwt als je elkaar vertrouwt. Koos zei dat het zonde was om altijd uit te gaan van gedonder.

Dat laatste deed me meer dan het misschien had moeten doen.

De dagen erna kreeg ik losse berichtjes. Niet onaardig bedoeld, denk ik. Marije stuurde een foto van een oude werkplaats in een dorp bij haar zus, met hartjes erbij. Lian vroeg of ik misschien wilde meedenken over een rustige ruimte waar ook leesclubjes konden zitten. Bep belde alleen om te vragen hoe het met me ging. Dat was lief, maar ik wist natuurlijk waarom ze belde.

Henk werd ondertussen steeds stiller thuis. Niet boos op een duidelijke manier. Hij ruimde de vaatwasser uit zonder iets te zeggen, ging langer wandelen, zat ’s avonds naar filmpjes over isolatie en houtrot te kijken. Op een avond zei hij ineens: “Ik heb mijn hele leven gewerkt. Nu heb ik eindelijk tijd om iets te doen dat niet alleen voor een baas is. En jij vindt vooral redenen waarom het misgaat.”

Ik zei dat hij het verkeerd neerzette. Dat ik hem zijn plan niet wilde afpakken. Dat ik alleen niet mee wilde doen aan iets waar ik me al benauwd bij voelde voordat er één plank was geschuurd.

“Maar als jij ertegen bent, trekt dat de rest ook uit elkaar,” zei hij.

Daar werd ik kwaad om. Alsof ik de macht had die hij mij ineens toedichtte. Alsof de anderen geen eigen volwassen mensen waren met hun eigen twijfels.

Vorige week zaten we met z’n achten in het café voor een soort overleg. De eigenaar van het pand wilde weten of er serieus belangstelling was. Henk had een bedrag op papier gezet, per huishouden. Het was niet niks, maar ook niet onhaalbaar. Voor ons zou het betekenen dat we onze buffer kleiner maakten, precies nu we allebei vaker over onze gezondheid nadenken dan vroeger.

Sjoerd zei dat hij alleen wilde meedoen als het juridisch goed geregeld werd. Arno wilde eerst een bouwkundige keuring. Bep zei dat ze bang was dat het op haar neer zou komen als er schoonmaakroosters moesten worden gemaakt. Ik voelde me daar bijna opgelucht door: blijkbaar was ik niet de enige die beren zag.

Toen keek Marije me aan en zei ze, heel voorzichtig: “Zou jij niet nog eens willen kijken of je er toch achter kunt staan? Niet omdat je alles hoeft te dragen, maar omdat het voor Henk ook veel betekent. En voor de groep.”

Ik heb niets gezegd. Ik roerde in mijn koffie terwijl die al lang koud was.

Uiteindelijk hebben we afgesproken dat niemand iets tekent voor er een onafhankelijke keuring is, een begroting en duidelijke afspraken over uitstappen. Henk vond dat een overwinning, geloof ik. Ik niet. Het voelde meer als uitstel van iets dat toch al tussen ons in was komen staan.

Vanavond eten we bij Koos en Bep. Ik heb een schaal tiramisu gemaakt, veel te groot voor acht mensen. Henk heeft zijn map niet meegenomen, zag ik toen hij zijn jas aantrok.

Dat zegt misschien niets. Of juist genoeg.