Na veertig jaar vriendschap mochten we ineens niet meer gewoon aan tafel zitten
Ik heb vorige week de partytent afbesteld die we normaal elk jaar achter in de tuin zetten. Niet omdat het zou regenen, en ook niet omdat we geen zin meer hebben in ons familiefeest. Ik kon het gewoon even niet opbrengen om weer te doen alsof alles normaal was.
Mijn vrouw Marjan en ik kennen Kees en Lidy al sinds 1981. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, weinig geld en van die bruine ribbanken waar je tegenwoordig om lacht. Kees hielp mij met de schutting. Lidy paste een keer op onze oudste toen Marjan met een blindedarmontsteking in het ziekenhuis lag. Zo begon het, zonder dat iemand ooit besloot: wij worden vrienden.
Later gingen we samen kamperen in Frankrijk, eerst met de kinderen en daarna, toen die geen zin meer hadden om met hun ouders mee te gaan, met z’n vieren. Elke woensdag aten we om beurten bij elkaar. Niet altijd uitgebreid. Soms gewoon macaroni, een gehaktbal met boontjes, of Chinees halen als niemand energie had. Maar we praatten wel. Over banen die tegenvielen, over mijn vader toen hij begon te dementeren, over de scheiding van hun dochter Nienke. Er zijn dingen die ik eerder aan Kees heb verteld dan aan mijn eigen broer.
Toen Kees met pensioen ging, zei hij eerst dat hij eindelijk niets ging doen. Beetje fietsen, klussen, met de camper weg. Hij had veertig jaar bij Rijkswaterstaat gewerkt en was altijd degene die als eerste om half zeven op kantoor zat. Ik gunde het hem ook. Alleen na een maand of drie sloeg het om.
Hij begon filmpjes te sturen in onze gezamenlijke app. Over de bio-industrie, fast fashion, banken die in foute dingen investeren, de klimaatcrisis. Sommige dingen wist ik wel, andere kwamen hard binnen. Hij meldde zich aan bij een actiegroep in de stad, ging naar lezingen en werd vrijwilliger bij een voedselinitiatief. Op zichzelf vond ik dat eigenlijk bewonderenswaardig. Hij had ergens energie voor gevonden. Lidy leek er ook blij mee, in het begin althans.
Alleen Kees kon nooit ergens enthousiast over zijn zonder dat het meteen een maatlat voor iedereen werd.
Bij ons thuis zag hij een pak gewone roomboter op tafel staan. Hij draaide het om, las het etiket en zei: ‘Jullie weten toch inmiddels wel wat er achter zuivel zit?’ Niet boos, meer op die zachte toon die erger is dan boos. Alsof wij achterlijke kinderen waren die nog moesten leren veters strikken.
Ik zei iets flauws over dat ik op mijn leeftijd niet van plan was om bang te worden voor een boterham met kaas. Dat was niet mijn sterkste moment. Kees keek me aan en zei: ‘Dat is precies het probleem, Henk. Iedereen maakt er een grap van, tot er niets meer te lachen valt.’
Daarna werd het steeds vaker ongemakkelijk. Als we ergens koffie dronken, was het verkeerd dat het in wegwerpbekers kwam. Als we met de auto naar de Veluwe gingen, kregen we een verhaal over uitstoot. Marjan kocht een nieuwe jas en Lidy vroeg meteen, net iets te luchtig, of die ‘wel een beetje verantwoord geproduceerd’ was.
Het gekke is: we zijn niet tegen alles wat zij belangrijk vinden. We eten minder vlees dan vroeger. We hebben zonnepanelen. Ik neem de fiets naar het centrum als het kan. Maar wij willen niet elke woensdagavond verantwoording afleggen over een stukje kip of een vliegreis van vijf jaar geleden.
Marjan trok het zich meer aan dan ik. Zij zei na een etentje soms: ‘Misschien hebben ze gewoon gelijk en zijn wij gemakzuchtig.’ Dan werd ik weer kwaad, niet eens op Kees, maar omdat ik merkte dat hij zelfs thuis nog aan onze tafel zat.
De echte ruzie begon rond ons familiefeest. Dat doen we al vijftien jaar, meestal eind juni. Kinderen, kleinkinderen, mijn zus met haar man, wat neven en nichten. Niet iedereen komt ieder jaar, maar het is een vaste dag geworden. We huren een barbecuebedrijf uit Leusden in. Die regelen salades, vis, vegetarische dingen, vlees, alles door elkaar. Mijn schoonzoon staat meestal veel te lang bij de barbecue en mijn kleinzoon morst limonade op het terras. Gewoon zo’n dag.
Dit jaar belde Kees me op, twee weken van tevoren. Hij vroeg wat we gingen serveren. Ik zei dat ik dat nog niet precies wist, maar ongeveer hetzelfde als anders.
Hij zei: ‘Dan komen wij niet.’
Ik dacht eerst dat hij een afspraak had. Maar nee. Hij wilde niet aanwezig zijn op een feest waar vlees van de barbecue kwam en waar, zoals hij het formuleerde, ‘consumptie het middelpunt is’. Hij zei dat hij ons niet wilde veroordelen, maar ook niet medeplichtig wilde zijn.
Ik stond in de bijkeuken met een boodschappentas in mijn hand. Er zat kattenvoer in, twee flessen witte wijn en een pak toiletpapier. Ik weet nog dat ik naar dat kattenvoer keek, alsof daar een antwoord op stond.
‘Je bent dus wel aan het veroordelen,’ zei ik.
Hij zuchtte. ‘Nee, jij hoort veroordeling omdat dit je raakt.’
Dat maakte me zo boos dat ik zei dat hij vooral lekker thuis moest blijven met zijn moreel gelijk. Daarna heb ik opgehangen. Daar ben ik niet trots op. Ik ben zevenenzestig, geen puber. Maar ik voelde me ineens niet afgewezen om wat ik deed, maar om wie ik was geworden in zijn ogen: iemand die niet goed genoeg zijn best deed.
Lidy stuurde Marjan die avond een lang bericht. Dat Kees sinds zijn pensioen worstelde met het idee dat hij vroeger te veel had weggekeken. Dat hij zich schuldig voelde over dingen waar hij aan had meegewerkt, al snap ik nog steeds niet precies wat zij daarmee bedoelde. Dat hij nu alles heel zwart-wit beleefde omdat hij eindelijk het gevoel had iets te kunnen veranderen. Marjan liet me het bericht lezen en zei alleen: ‘Ik vind het ook zielig voor hem.’
Dat vond ik misschien nog wel het lastigste. Want ik vind het óók zielig. Kees is niet opeens een slecht mens. Hij is degene die mijn moeder naar het verpleeghuis reed toen ik zelf koorts had. Hij heeft met mij in de regen de dakgoot vervangen toen Marjan en ik net ons huis hadden verkocht. Ik weet hoeveel goeds er in hem zit.
Maar er zit inmiddels ook iets hards. Alsof iedere afwijking van zijn nieuwe regels een persoonlijke afwijzing is.
We hebben het familiefeest uiteindelijk niet aangepast. Wel hebben we meer vegetarisch besteld, omdat een paar kleinkinderen dat sowieso liever eten. Kees en Lidy kwamen niet. Het was een fijne dag en tegelijk zat er iets scheefs onder. Mijn dochter vroeg waar ze waren. Ik zei dat ze verhinderd waren. Ik had geen behoefte om aan een tafel met twintig mensen uit te leggen waarom twee oude vrienden niet naast elkaar konden bestaan met een schaal saté ertussen.
Sindsdien hebben we één keer koffie gedronken met Lidy, zonder Kees. Zij keek moe. Ze zei dat het thuis ook niet altijd makkelijk is, maar wilde daar niet verder over praten. Kees heeft mij niets gestuurd. Geen excuses, geen boos bericht, niets.
De woensdagavonden zijn stil nu. Marjan en ik eten soms gewoon een boterham of bestellen pizza, wat vroeger bijna nooit gebeurde omdat er altijd wel iemand kwam of wij ergens verwacht werden. Ik mis hem. Ik mis hen. Maar ik mis vooral de tijd dat ik bij Kees kon zitten zonder eerst na te denken of mijn bestaan door zijn keuring zou komen.
De partytent heb ik afbesteld omdat we volgend jaar misschien kleiner willen vieren. Niet uit wraak. Ik denk vooral dat ik even geen zin heb in vaste tradities die ineens pijn kunnen doen. De barbecue staat nog wel in de schuur. Die gebruik ik vanavond voor twee burgers en een maiskolf. Marjan eet vegetarisch, ik niet. En voorlopig laten we elkaar daar gewoon met rust.