Na 34 jaar etentjes liet ik één avond los, en ineens was ik degene die onze vriendengroep kapotmaakte
Vorige maand zat ik op een donderdagavond om half zeven nog in mijn badjas aan de keukentafel. Mijn telefoon lag voor me, scherm naar boven. Normaal gesproken zou die avond onze eetclub zijn geweest. Acht mensen, inmiddels allemaal ergens tussen de 63 en 69, aan een lange tafel bij iemand thuis of in een eetcafé in de buurt.
Er kwam geen berichtje. Geen adres. Geen tijd. Geen grapje van Henk dat hij alleen komt als er bitterballen zijn.
Dat was voor het eerst in vierendertig jaar.
Ik heet Marianne, ben 66 en sinds vorig jaar met pensioen. Ik werkte drie dagen per week bij de administratie van een kleine bouwmarkt in Amersfoort. Niets bijzonders, maar ik had altijd lijstjes, agenda’s en een zwak voor dingen die anders blijven liggen. Bas, mijn man, zegt weleens dat ik zelfs een stroomstoring zou proberen te plannen in een Excelbestand.
Onze vriendengroep ontstond toen we allemaal jonge kinderen hadden in de jaren negentig. Bas kende Henk van zijn werk, ik raakte bevriend met Els bij de peuterspeelzaal, en daar kwamen later Joost en Karin bij. Eerst gingen we met kinderen naar het bos of zaten we op klapstoelen in elkaars tuinen. Toen de kinderen ouder werden, spraken we af om elke maand samen te eten.
In het begin deed iedereen wat. Tenminste, zo herinner ik het me. Karin maakte een keer lasagne voor twaalf man. Joost en Henk hadden een barbecue gekocht die meer rook gaf dan warmte. Els nam altijd een schaal tiramisu mee waar je na twee happen genoeg van had, maar waar we toch allemaal om vroegen.
Langzaam werd ik degene die in de appgroep vroeg: wanneer kunnen jullie? Bij wie? Zelf koken of uit eten? Heeft iemand nog dieetwensen? Wie rijdt er met wie mee als we naar dat restaurant buiten de stad gaan?
Ik deed het omdat ik het gezellig vond. En omdat als ik het niet deed, het vaak stil bleef.
De laatste jaren werd het steeds meer. Els eet sinds een paar jaar glutenvrij. Karin lust geen vis, behalve zalm, maar dan niet gerookt. Henk zei altijd dat hij alles at, totdat hij in een restaurant heel demonstratief vroeg of er koriander in de soep zat. Joost wil het liefst vóór acht uur eten, omdat hij anders ‘de hele nacht ligt te draaien’. Ik wist op den duur precies welk restaurant op maandag dicht was, waar je kon parkeren zonder eerst drie rondjes te rijden en welke ober bij De Lantaarn altijd deed alsof hij nog nooit van een reservering had gehoord.
Toen ik stopte met werken, dachten mensen blijkbaar dat ik zeeën van tijd had. Dat was ook deels zo, maar ik wilde juist weer schilderles nemen, vaker met mijn zus naar musea en soms gewoon een middag niets doen zonder dat er een menu in mijn hoofd rondhing.
In januari, bij ons thuis na de erwtensoep, zei ik het vrij voorzichtig.
‘Ik zou het fijn vinden als we het organiseren voortaan een beetje kunnen afwisselen. Om de beurt een maand, bijvoorbeeld. Dan stuur ik wel een lijstje rond.’
Niemand zei meteen iets. Bas keek naar zijn kom alsof daar een antwoord in lag.
Karin lachte als eerste. ‘Ach Mar, jij vindt dat toch juist leuk? Als wij het gaan doen, wordt het één grote chaos.’
‘Dat hoeft niet,’ zei ik. ‘Iedereen kan toch één avond per acht maanden regelen?’
Els trok haar mond een beetje scheef. ‘Maar dan krijg je van die schema’s. Dat haalt juist de spontaniteit eruit.’
Spontaniteit. Daar moest ik bijna om lachen, maar ik deed het niet. Onze avonden stonden soms drie maanden vooruit in mijn agenda.
Henk zei: ‘We kunnen best helpen als je iets nodig hebt.’ Alsof ik vroeg of iemand een kratje bier uit de auto wilde tillen.
Bas zei later in bed dat ik het misschien wat luchtiger had kunnen brengen. Niet als een verdeling met een schema. ‘Je weet hoe zij zijn. Ze bedoelen het niet verkeerd.’
Dat zinnetje heeft hij de afgelopen maanden vaker gebruikt. Ze bedoelen het niet verkeerd.
Misschien niet. Maar ik begon er wel verkeerd van te slapen.
In februari stuurde ik een bericht in de groep. Ik had een eenvoudig rooster gemaakt, gewoon namen bij maanden. Niet verplicht om thuis te koken; reserveren mocht ook. Ik had erbij gezet dat iemand anders altijd kon ruilen als een maand niet uitkwam.
Karin reageerde met een duimpje. Joost schreef: “Poeh, we worden een vereniging.” Henk: “Waar kan ik mijn contributie betalen?”
Els belde me die avond. Ze zei dat ze zich er ongemakkelijk bij voelde. Dat vriendschap niet om afvinklijstjes moest draaien. Ik zei dat het mij ook niet om lijstjes ging, maar dat ik niet de enige wilde zijn die alles onthield.
‘Maar jij bent gewoon de spil,’ zei ze.
Dat klonk lief. Op dat moment voelde het als een compliment waar ik niet uit weg mocht.
De maand erna zou Joost organiseren. Drie dagen van tevoren stuurde hij mij apart een berichtje: “Wat zullen we doen? Jij weet altijd leuke tentjes.” Ik stuurde twee suggesties terug. Daarna vroeg hij of ik misschien wilde bellen, want hij had een drukke week. Uiteindelijk zat ik zelf weer op de site van een restaurant, met mijn leesbril op, te kijken of ze plek hadden voor acht.
Ik heb toen niet gebeld. Dat was misschien kinderachtig. Maar ik dacht: als ik nu weer inspring, verandert er niets.
De avond ging niet door. Joost was het vergeten, of hij dacht dat iemand anders het zou doen; dat is nooit helemaal duidelijk geworden. In de app kwam rond vier uur een reeks verbaasde berichten. Bas keek ernaar en zei: ‘Kun jij niet gewoon iets reserveren? Dan is het opgelost.’
Ik zei nee.
Hij werd daar boos van, meer dan ik had verwacht. Niet schreeuwen, Bas schreeuwt bijna nooit, maar hij praat dan kort en hard. Hij vond dat ik van een praktisch ding een principe maakte. Dat ik wist hoeveel die avonden voor iedereen betekenden, zeker nu we ouder werden en mensen minder vanzelf buiten de deur kwamen.
Dat vond ik juist zo pijnlijk. Het betekende blijkbaar genoeg om te verwachten dat ik het bleef dragen, maar niet genoeg om het samen te dragen.
De week daarna dronken we koffie bij Els en Henk. Ik dacht nog: misschien praten we het uit. Els had appeltaart gehaald van de bakker, wat ze alleen doet als er iets aan de hand is.
Henk zei al snel dat de sfeer ‘raar’ was geworden door dat rooster. Karin knikte. Joost zei dat hij zich voor schut gezet voelde omdat die avond niet doorging.
Ik zei dat ik hem niet voor schut had willen zetten. Ik had alleen niet weer alles willen overnemen.
‘Maar je laat het dan wel bewust lopen,’ zei Karin. ‘Alsof je de boel gijzelt totdat iedereen doet wat jij wilt.’
Ik weet nog dat ik naar haar handen keek. Ze had nieuwe nagellak op, heel donkerrood. Zo’n detail blijft dan hangen, terwijl je eigenlijk iets veel groters hoort.
Bas zei: ‘Misschien kunnen we het gewoon laten zoals het altijd was. Marianne wil best organiseren, toch? En dan helpen we wat meer mee.’
Ik keek hem aan en hij keek meteen weg.
Daarna zei ik dingen waar ik niet trots op ben. Dat ‘meehelpen’ onzin was als niemand uit zichzelf iets deed. Dat ik geen secretaresse was. Dat ik er klaar mee was om achter volwassenen aan te zitten voor een datum waarop ze zelf zo graag wilden eten.
We gingen eerder weg. In de auto zei Bas bijna de hele rit niets. Thuis maakte hij thee, alsof dat een normale avond was geweest. Pas in bed zei hij zacht dat hij ook bang was om die mensen kwijt te raken.
Dat ben ik ook. Of ik was dat, denk ik. Ik mis Els soms echt. Niet de appjes over parkeerplekken en lactosevrije opties, maar hoe we vroeger na afloop nog even bleven zitten als iedereen al weg was. Zij weet dingen over mij die mijn zus niet eens weet.
Van de groep heb ik nu alleen een bericht gekregen van Henk. Hij schreef dat ze in april waarschijnlijk gewoon bij Karin gaan eten en dat ik natuurlijk welkom ben. Geen vraag hoe het met me gaat. Geen woord over wat er gebeurd is. Alleen: laat even weten of jullie komen, dan in verband met de boodschappen.
Bas wil wel gaan. Hij zegt dat we niet alles weg moeten gooien vanwege mijn trots.
Misschien heeft hij gelijk dat mijn trots erin zit. Misschien had ik niet zo stil moeten blijven toen Joost vastliep. Maar als ik weer ga, weet ik niet of ik dan aan tafel kan zitten zonder alvast te bedenken wie volgende maand weer moet regelen.
Ik heb Henk nog niet geantwoord. De app staat op gedempt. Vanmiddag ga ik naar schilderles. Daarna moet ik eigenlijk nog boodschappen doen, want we hebben bijna geen koffie meer in huis.