Ik wilde één weekend weg met mijn man, maar onze beste vrienden zagen het als verraad
De tas met schone was stond nog in onze gang toen mijn telefoon voor de derde keer die ochtend ging. Het was half negen op een zaterdag. Kees zat aan de keukentafel met zijn leesbril op, maar ik zag dat hij al een tijdje naar dezelfde krantpagina keek.
“Het is Henk,” zei ik.
Kees zuchtte niet eens hard. Dat was bijna erger. Hij schoof zijn koffie van zich af en zei: “Neem maar op. Anders blijft hij bellen.”
Henk en Marja kennen we al sinds 1987. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Nieuwegein, met jonge kinderen, te weinig geld en altijd wel iemand die een ladder of een boormachine nodig had. We gingen samen kamperen in Frankrijk. Oud en nieuw vierden we jarenlang om en om bij elkaar. Toen onze dochter met spoed geopereerd moest worden aan haar blindedarm, waren Henk en Marja er nog vóór mijn zus er was. Dat soort vrienden waren het.
Daarom voelde het ook niet als een keuze toen het met hen minder ging.
Eerst waren het kleine dingen. Marja die twee keer op één middag belde omdat ze niet meer wist of ze haar medicijnen al had ingenomen. Henk die bij de supermarkt stond en niet meer wist welke pinpas hij moest gebruiken. Kees ging een keer mee naar de huisarts, ik hielp met een stapel ongeopende post. Gewoon, omdat je dat doet voor mensen van wie je houdt.
Maar in drie jaar tijd werd het iets anders.
Henk heeft vasculaire dementie, beginnend volgens de casemanager, al vind ik dat woord ‘beginnend’ inmiddels bijna misleidend. De ene dag voert hij een heel normaal gesprek over voetbal of de tuin. De volgende dag raakt hij in paniek omdat Marja ‘verdwenen’ is, terwijl ze boven ligt te slapen.
Marja heeft zelf ook geheugenproblemen, naast haar slechte heupen en reuma. Zij redt zich fysiek minder goed en raakt snel overstuur. Ze hebben geen kinderen. Henk heeft een broer in Drenthe met wie hij al jaren nauwelijks contact heeft. Marja’s enige nicht woont in België en stuurt met kerst een kaart.
Dus kwamen wij steeds vaker.
Maandag boodschappen. Woensdag administratie, omdat er anders aanmaningen bleven liggen. Vrijdag koffie drinken of een rondje met de rollator, want Marja werd somber als ze dagen niet buiten kwam. Tussendoor telefoontjes over de thermostaat, een onbekende afschrijving, de televisie die ‘weer kapot’ was terwijl de afstandsbediening onder een krant lag.
We regelden uiteindelijk huishoudelijke hulp via de Wmo en er kwam thuiszorg voor de steunkousen. Daar was ik trots op, alsof we een groot probleem hadden opgelost. Maar die hulp kwam op vaste momenten en deed alleen wat op het lijstje stond. De rest bleef bij ons terechtkomen.
Kees is 66 en sinds vorig voorjaar met pensioen. Hij had zich verheugd op fietsen, eindelijk de schuur opruimen, misschien een paar dagen met de camper weg. Hij zegt niet snel dat iets hem te veel wordt. Zijn vader was ook zo: doorgaan, geen gedoe.
Maar ik begon het aan hem te merken.
Hij sliep slecht. Hij kreeg weer last van zijn schouder, waar hij vroeger aan geopereerd is. Als Henk belde tijdens het eten, stond Kees soms al op voordat ik de telefoon had opgenomen. Alsof hij bang was dat er echt iets gebeurd was als hij niet meteen handelde.
Zelf werd ik kribbig. Tegen Kees vooral, wat oneerlijk was. Ik kon boos worden omdat hij de vaatwasser anders inruimde, en vijf minuten later zat ik bij Marja haar bankrekening uit te leggen terwijl ze me aankeek alsof ik haar iets afpakte.
Ze bedoelde het niet verkeerd. Dat is misschien het moeilijkste.
Soms zei ze: “Ik weet dat ik lastig ben, hoor.” Dan pakte ze mijn hand vast met haar dunne vingers. “Maar jij begrijpt tenminste hoe het hier gaat.”
Wat moet je daarop zeggen? Dat ik het zelf ook niet meer begrijp?
In februari hadden Kees en ik een huisje geboekt op Texel. Twee nachten maar. Mijn zus zou langskomen om de katten eten te geven en we wilden gewoon even uitwaaien. Geen afspraken, geen boodschappenlijstjes, geen telefoon die op tafel lag.
Toen ik het aan Marja vertelde, eerst heel voorzichtig, werd ze stil.
“Dus jullie gaan weg,” zei ze.
“Ja, alleen van vrijdag tot zondag. De thuiszorg komt gewoon en voor boodschappen kunnen we iets laten bezorgen. Ik zorg dat alles in huis is.”
Henk zat erbij en keek naar de vloer. Na een tijdje zei hij: “En als er dan iets is?”
Ik zei dat ze 112 moesten bellen bij spoed, en anders de huisartsenpost of de thuiszorg. Ik had de nummers groot op een vel geschreven. Ik had zelfs met de buurvrouw van hen besproken dat ze die zaterdag even zou aanbellen.
Maar Marja begon te huilen. Niet heel hard eerst. Ze zei alleen steeds: “We hebben dus niemand. We hebben echt niemand.”
Kees zei toen, misschien te direct: “Dat kunnen wij niet oplossen door nooit meer weg te gaan, Marja.”
Ik voelde meteen hoe de lucht in de kamer veranderde. Henk keek hem aan alsof Kees iets wreeds had gezegd. Marja trok haar hand terug van mij.
“Nooit meer?” zei ze. “Wij vragen toch niet of jullie nooit meer weggaan?”
Dat was natuurlijk precies wat ze niet letterlijk vroegen. En toch voelde het wel zo.
In de auto kregen Kees en ik ruzie. Ik zei dat hij geen begrip had. Hij zei dat ik al maanden deed alsof ik de enige was die Marja kon geruststellen. Ik zei dat hij Henk liet vallen, terwijl die man zijn beste vriend was. Kees sloeg op het stuur, niet heel hard, maar ik schrok er toch van.
“Ik laat hem niet vallen,” zei hij. “Ik kan alleen niet meer elke dag klaarstaan omdat hij vergeten is dat ik er gisteren ook al was. Ik ben kapot, Els. En jij ook. Maar jij doet alsof dat minder erg is dan hun verdriet.”
Die avond heb ik op de bank geslapen. Wat kinderachtig, achteraf. Maar ik kon niet naast hem liggen zonder me tegelijk schuldig en kwaad te voelen.
We zijn toch naar Texel gegaan. Ik heb de hele vrijdag mijn telefoon te vaak bekeken. Zaterdagochtend had Henk zes keer gebeld. Hij wist niet meer waar Marja was. Ze zat naast hem op de bank, bleek later. Marja had drie berichten ingesproken waarin ze zei dat de bezorging niet gekomen was. De boodschappen stonden al in de keuken; ze was vergeten dat ik ze donderdag had gebracht.
Kees heeft de telefoon uiteindelijk uitgezet. Gewoon uit. Ik heb daar een uur om gehuild in dat huisje, met mijn jas nog aan. Daarna zijn we naar het strand gegaan. Het waaide zo hard dat mijn ogen bleven tranen en niemand kon zien wat ervan was.
Maandag hebben we contact opgenomen met de casemanager dementie. Niet omdat we er ineens klaar mee waren, maar omdat Kees gelijk had: wij waren hun hele vangnet geworden, en dat was niet meer houdbaar. Er wordt nu gekeken naar dagbesteding voor Henk, extra begeleiding voor Marja en iemand die helpt met de administratie. Het duurt allemaal langer dan je zou willen. Er zijn gesprekken, formulieren, wachtlijsten. Intussen bellen ze nog steeds.
We gaan nog altijd op maandag en vrijdag. Niet meer elke keer als de telefoon gaat. Al lukt dat niet altijd. Vorige week nam ik alsnog op tijdens onze wandelclub, omdat ik Marja’s naam op mijn scherm zag. Ze wilde weten of ik haar blauwe vest had gezien. Het hing in haar eigen kledingkast.
Ik heb rustig gezegd dat ik vrijdag weer kom kijken.
Daarna liep ik terug naar de groep. Kees keek me van een afstand aan. Hij zei niets, maar ik wist dat hij had gehoord dat ik niet meteen in de auto was gestapt.
Het voelde niet als opluchting. Eerder als iets wat nog geoefend moet worden.