Mijn man wil ons spaargeld lenen aan onze zoon, maar ik ben bang dat we daarmee onze eigen oude dag op het spel zetten

Ik heb vorige week voor het eerst in maanden weer naar onze spaarrekening gekeken zonder meteen weg te klikken. Niet omdat er iets raars op stond, maar omdat ik wist dat mijn man Henk diezelfde avond over hetzelfde bedrag wilde beginnen.

€148.000. Het klinkt misschien alsof we ruim zitten. En ja, we hebben het niet slecht. Maar het is geen geld dat zomaar uit de lucht is komen vallen. Henk heeft veertig jaar in de technische dienst bij een fabriek gewerkt, eerst in ploegendienst. Ik werkte drie dagen per week in de thuiszorg en later bij de apotheek. We hebben nooit gek gedaan. Niet ieder jaar op vliegvakantie, geen nieuwe auto als de oude nog reed. Toen de kinderen klein waren, ging een kapotte wasmachine gewoon van de spaarrekening af en daarna vulden we die langzaam weer aan.

Nu zijn we allebei 68. Henk is vorig jaar gestopt, ik al iets eerder omdat mijn knieën echt niet meer wilden. We wonen nog in ons rijtjeshuis in Deventer, hypotheekvrij sinds 2019. Het idee was heel simpel: wat leuke dingen doen zolang we fit zijn, de tuin aanpakken, af en toe met de caravan weg. En vooral: niet afhankelijk worden van onze kinderen als we straks zorg nodig hebben of één van ons alleen overblijft.

Onze zoon Bas is 37 en heeft een bedrijf in zonnepanelen. Hij is handig, sociaal, echt een harde werker. Ik ben altijd trots op hem geweest. Hij begon met een busje en een maat van hem, en de eerste jaren ging het geweldig. Op verjaardagen vertelde iedereen dat hij slim was geweest, precies op tijd ingestapt. Hij heeft nu negen mensen in dienst.

Maar hij heeft vorig jaar een groot pand gehuurd aan de rand van de stad. Werkplaats, opslag, kantoor, alles erop en eraan. Hij dacht dat de aanvragen zo zouden blijven binnenkomen. Daarna veranderden de regels rond salderen weer, mensen gingen twijfelen, de rente bleef hoog. Hij had bovendien voor een partij omvormers betaald die later geleverd werd dan afgesproken. Ik snap niet alle technische kanten ervan, maar ik weet wel dat er rekeningen liggen en dat er minder geld binnenkomt dan eruit gaat.

Bas kwam drie weken geleden op zondagmiddag. Alleen. Dat vond ik al vreemd, want normaal neemt hij zijn vriendin Iris mee of minstens hun dochtertje Noor. Hij dronk zijn koffie niet op. Hij hield zijn jas aan terwijl hij op de bank zat.

Hij zei dat hij tijdelijk €90.000 nodig had.

Ik weet nog dat ik naar zijn handen keek. Zwarte randjes onder zijn nagels, hoewel hij tegenwoordig vooral op kantoor zit. Henk zei niet meteen nee. Dat was misschien het moment waarop mijn maag al samenkneep.

Bas had een overzicht gemaakt. Heel netjes, met prognoses en een aflossingsschema. Hij zou ons binnen drie jaar terugbetalen, met rente zelfs, zei hij. Er was nog een investeerder in beeld, maar die wilde eerst zien dat Bas zelf extra geld kon inbrengen. De bank wilde zijn krediet niet verhogen zonder aanvullende zekerheid.

“Als ik deze maand niet kan overbruggen,” zei hij, “moet ik mensen laten gaan. Misschien moet ik helemaal stoppen. Dan blijft er niks over.”

Henk vroeg alleen: “Hoe zeker is die investeerder?”

Bas haalde zijn schouders op. “Niet honderd procent. Dat is het nooit.”

Ik vroeg waarom hij niet eerst kleiner kon gaan werken. Minder ruimte, minder personeel, misschien tijdelijk terug naar hoe hij begonnen was. Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld dat hij zijn kind op straat moest zetten.

“Mam, zo werkt het niet. Als ik nu ga afbouwen, ziet iedereen dat als paniek. Leveranciers, klanten, die investeerder. Dan is het klaar.”

Ik zei dat het misschien al klaar was, maar dat hij het nog niet wilde toegeven. Dat had ik niet zo moeten zeggen. Ik weet dat. Alleen kwam het eruit omdat ik ineens niet meer zijn moeder was die naar haar zoon keek, maar een vrouw die rekende hoeveel jaar zorg je van €90.000 kunt betalen als je knie of je hart het begeeft.

Bas werd stil. Henk zei tegen mij: “Anja, doe nou niet alsof hij onverantwoordelijk is. Hij probeert het juist op te lossen.”

Daarna werd het een akelige middag. Bas zei dat hij niet om een gift vroeg. Henk zei dat familie elkaar helpt. Ik zei dat helpen niet hetzelfde is als je pensioen op tafel leggen omdat je kind een fout heeft gemaakt. Bas zei dat het geen fout was maar een investering die verkeerd uitpakte. Alsof dat verschil voor onze rekening iets uitmaakte.

Hij ging uiteindelijk weg zonder zijn jas uit te trekken. Twee dagen hoorde ik niets. Toen kreeg ik een foto van Noor die een tekening had gemaakt voor opa en oma. Daaronder stond alleen: “Ze mist jullie.” Ik heb ernaar zitten kijken en me schaamteloos gevoeld, want ik dacht meteen: gebruikt hij haar nou om ons zacht te krijgen? En daarna dacht ik: misschien stuurt hij gewoon een foto van zijn dochter omdat hij zelf niet weet wat hij moet zeggen.

Henk wil het geld nog steeds geven. Hij heeft zelfs voorgesteld om €100.000 te lenen, zodat Bas wat meer lucht heeft. Volgens hem houden we dan nog genoeg over en kunnen we altijd kleiner gaan wonen als het echt nodig is.

Dat laatste raakt me het meest. Alsof kleiner wonen een knop is die je omzet. We staan al jaren ingeschreven voor een seniorenwoning, net als half Nederland. En ons huis verkopen is makkelijk gezegd, maar waar moeten we dan heen? Henk wil bovendien helemaal niet weg uit deze buurt. Hij kent iedereen bij de voetbal en zit elke donderdag te klaverjassen in het buurthuis.

Vorige donderdag kregen we er voor het eerst echt ruzie over. Niet hard schreeuwen, dat doen wij niet. Juist dat stille, gemene soort ruzie. Henk stond aardappels te schillen en zei dat hij zich zou schamen als hij Bas kon helpen en het niet deed.

Ik zei: “En als wij over vijf jaar geld tekortkomen, schaam jij je dan ook? Of moeten we dan bij Bas aankloppen terwijl hij zelf nog aan het afbetalen is?”

Hij legde het mes neer. “Jij denkt alleen maar aan wat er mis kan gaan.”

Dat klopt misschien. Sinds mijn zus Marijke in een verpleeghuis terechtkwam, denk ik daar veel aan. Haar man leeft niet meer, haar kinderen doen wat ze kunnen, maar alles kost geld en regelwerk. Je oude dag is niet alleen koffie drinken in de zon. Soms is het een traplift, hulp in huis, een aangepaste badkamer. Soms is het gewoon pech.

Gisteren belde Bas weer. Hij zei dat hij maandag duidelijkheid moet geven aan zijn personeel. Twee jongens hebben net een huis gekocht, vertelde hij. Eén vrouw is alleenstaande moeder. Hij zei niet letterlijk dat het onze schuld zou zijn als zij hun baan verliezen, maar het hing wel in de lucht.

Ik heb gezegd dat ik daar verdrietig om ben, maar dat wij niet verantwoordelijk kunnen zijn voor negen salarissen. Hij werd boos. Niet heel luid, juist bijna beheerst.

“Dus jullie hebben het geld wel, maar ik mag er niet eens om vragen?”

Ik zei dat hij het mag vragen. Dat wij alleen misschien nee mogen zeggen.

Daarna zei hij: “Prima,” en hing hij op.

Henk praat nu bijna niet tegen me. Hij zit ’s avonds met zijn tablet aan tafel en doet alsof hij nieuws leest. Ik hoor hem soms zuchten. Ik mis mijn zoon en ik ben ook boos op hem, wat een nare combinatie is. Ik zou willen dat ik zonder angst kon zeggen: hier, neem het maar. Ik zou willen dat ik erop kon vertrouwen dat liefde genoeg was om zo’n bedrag veilig te maken.

Morgen gaan Henk en ik met Bas praten bij een financieel adviseur die Bas via zijn boekhouder kent. Niet om meteen te tekenen, heb ik Henk laten beloven. Ik wil precies weten welke schulden er zijn, wat er gebeurt als die investeerder afhaakt en wat een lening van ons eigenlijk betekent als het bedrijf alsnog omvalt.

Henk vindt dat kil. Misschien is het dat ook.

Maar ik heb vanavond toch de caravanfolders niet weggegooid. Ze liggen nog op de keukentafel, onder Bas zijn aflossingsschema.