Ik wilde niet mee op een vakantie die we alleen konden betalen omdat een vriend ons eraan herinnerde dat wij minder hadden

Ik heb een mapje op mijn telefoon met vakantiefoto’s waar ik de laatste tijd opvallend weinig in kijk. Niet omdat ze niet leuk zijn. Juist wel. Op bijna elke foto staan dezelfde gezichten: Kees en Marjan, Rob en Ellen, wij tweeën. Eerst met kleine kinderen die door het beeld renden, later met leesbrillen, badslippers en steeds meer moeite om met z’n allen op één foto te passen.

Wij noemen onszelf al jaren ‘de club’, wat eigenlijk een beetje gênant klinkt als je het hardop zegt. Maar we kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, uit de tijd dat Rob en mijn man Henk samen bij de gemeente werkten. We zijn door banenwissels, puberende kinderen, scheidingen van andere mensen, zieke ouders en een paar behoorlijk saaie nieuwjaarsborrels heen gekomen.

En sinds een jaar of twintig gingen we elk voorjaar samen weg. Niet kamperen, daar waren we al snel klaar mee. Maar ook geen overdreven toestanden. Een goed hotel in Italië of Portugal, een huis in Frankrijk, één keer een cruise op de Douro. We spaarden ervoor. We overlegden eindeloos over de prijs, de vluchttijden en of er een lift moest zijn. Kees wilde altijd graag wat meer comfort dan de rest, maar dat was onderdeel van de grap. Als hij met drie links naar boutiquehotels kwam, stuurde Ellen er een terug met: ‘Hier kun je voor normale-mensengeld gewoon slapen.’

Dat veranderde toen Kees zijn bedrijf verkocht.

Hij had samen met een compagnon iets in logistieke software opgebouwd. Ik snapte er nooit veel van, behalve dat hij op een gegeven moment niet meer zei dat hij ‘lekker bezig’ was, maar dat hij het ‘absurd druk’ had. Toen kwam de verkoop. Hij vertelde het op een etentje, bijna verontschuldigend, met een fles wijn die hij zelf had meegenomen en waarvan hij zei dat we die anders nooit zouden kopen.

Ik weet niet wat hij precies heeft gekregen. Dat gaat me ook niets aan. Maar zijn leven veranderde zichtbaar. Een huisje op Texel werd ingeruild voor iets groters in Spanje. Hij droeg ineens van die zachtvallende overhemden zonder zichtbaar merk, die er toch duur uitzagen. Marjan leek er soms zelf wat ongemakkelijk bij. Zij werkte nog gewoon drie dagen in een praktijk voor fysiotherapie en zei weleens: ‘Ik doe alsof we nog steeds op een rijtjeshuisbudget leven.’ Dan lachte Kees, maar niet helemaal.

In november stuurde hij in onze groepsapp een link naar een resort op Sardinië. Niet zomaar Sardinië. Zo’n plek met privévilla’s, een eigen kok als je dat wilde en foto’s van mensen die ontbijten aan een zwembad zonder dat er ergens een handdoek over een ligstoel hangt.

‘Lijkt me iets voor mei,’ schreef hij. ‘Ik regel de villa. Jullie hoeven alleen vlucht en een klein deel van de boodschappen te doen.’

Ik keek naar Henk. Hij zat aan de keukentafel zijn sudoku te maken en zei meteen: ‘Nou, daar zeg ik geen nee tegen.’

Ik zei niets. Ik moest vooral denken aan dat woordje: regelen. Alsof wij pakketjes waren die hij erbij kon bestellen.

Rob reageerde met een duimpje en daarna: ‘Dat is wel heel gul, Kees.’ Ellen schreef dat ze eerst even moest kijken naar haar werkrooster. Marjan plaatste een zonnetje. Niemand zei: dit is veel te veel. Misschien omdat je iemand die iets aanbiedt niet voor zijn hoofd wilt stoten. Misschien omdat iedereen, inclusief ikzelf, eerst die foto’s zag en dacht: jeetje, wat prachtig.

Later die avond rekende ik het uit. Zelfs met Kees’ bijdrage zouden we voor onze vlucht, eten buiten de deur en andere kosten meer kwijt zijn dan normaal. Dat konden Henk en ik technisch gezien betalen. We hebben geen schulden, ons huis is bijna afgelost, de kinderen redden zich. Maar we zouden er wel onze gewone vakantiepot voor leegtrekken. En ik had geen zin om in een villa te zitten waar alles al voor ons betaald was, terwijl ik bij elk glas wijn zou denken dat Kees het misschien had uitgezocht.

Henk vond dat ik er iets zwaars van maakte.

‘Hij wil gewoon iets leuks doen met zijn vrienden,’ zei hij. ‘Moet hij dan doen alsof hij geen geld heeft?’

‘Nee. Maar wij hoeven toch ook niet te doen alsof dit voor ons hetzelfde is als voor hem?’

Henk zuchtte. Hij deed dat zuchten dat betekent dat hij niet boos wil worden, maar het eigenlijk al wel is.

‘Je weet hoe belangrijk die week voor me is. Voor ons. Als wij als enigen niet gaan, wordt het raar.’

Daar had hij gelijk in. En dat maakte me nog bozer, wat niet eerlijk was. Want Henk had ook gewoon zin in Sardinië. Hij had het de laatste jaren niet makkelijk gehad na zijn hartoperatie, hoewel hij daar zelf nooit zo over praat. Misschien wilde hij juist niet degene zijn die alles ingewikkeld maakte. Misschien wilde ik dat wel zijn.

De dagen erna werd het in de app steeds concreter. Kees stuurde vluchtopties. Hij had al geïnformeerd naar een busje met chauffeur. Voor één avond had hij een tafel gereserveerd in een restaurant waar, volgens hem, ‘je niet eens naar de kaart hoeft te kijken’.

Ellen belde mij apart. Ze vroeg of wij al ja hadden gezegd.

‘Nog niet,’ zei ik.

Ze bleef even stil. Toen zei ze: ‘Rob wil heel graag. Maar ik krijg er ook zo’n naar gevoel van. Niet van Marjan hoor. Die kan er ook niks aan doen. Maar het is alsof je niet meer mee mag doen op je eigen manier.’

Dat luchtte me op en maakte me tegelijk verdrietig. Blijkbaar zat het niet alleen in mijn hoofd. Toch durfde niemand het in de groep te zeggen.

Een week later gingen we bij Kees en Marjan eten. Hun nieuwe keuken was prachtig, van die matzwarte kasten waar je geen vingerafdruk op ziet. Kees had wild besteld bij een slager in de buurt. Hij had er zichtbaar plezier in, en dat gun ik hem ook echt. Hij is niet ineens een slecht mens geworden omdat hij veel geld heeft.

Na het toetje begon Henk voorzichtig over de kosten. Niet als verwijt, meer omdat hij wilde weten waar we aan toe waren. Kees leunde achterover en zei: ‘Jongens, maak je nou niet zo druk. Ik betaal het grootste deel. Jullie weten toch wel dat jullie dit anders niet zelf kunnen betalen.’

Het werd stil op een rare, dikke manier. Marjan keek naar haar glas. Rob lachte kort, maar dat was geen lach. Henk keek naar zijn servet.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet omdat het feitelijk helemaal onwaar was. Wij zouden nooit uit onszelf zo’n villa boeken. Maar hij zei het alsof hij ons daarmee rust gaf. Alsof hij een ongemakkelijke waarheid vriendelijk voor ons had verpakt.

Ik zei: ‘Dan weet je blijkbaar ook al wat wij wel en niet kunnen betalen.’

Kees trok zijn wenkbrauwen op. ‘Nou ja, kom op, Saskia. Zo bedoel ik het niet.’

‘Hoe bedoel je het dan?’ vroeg ik. Ik hoorde zelf hoe scherp ik klonk.

Marjan zei zacht: ‘Kees probeert gewoon royaal te zijn.’

Daar kreeg ik achteraf spijt van, want ik zei: ‘Royaal zijn is iets anders dan mensen eraan herinneren waarom ze je aanbod nodig hebben.’

We zijn niet meteen weggegaan. Dat zou bijna makkelijker zijn geweest. We dronken koffie, praatten daarna nog over de kleinkinderen van Rob en Ellen en over een lekkage in onze badkamer. Alsof er niets gebeurd was. Onderweg naar huis zei Henk eerst helemaal niets.

Bij de rotonde bij de A12 zei hij: ‘Je had ook even kunnen wachten.’

Ik keek naar buiten en zei: ‘Waarop?’

‘Tot ik iets kon zeggen.’

Dat kwam harder aan dan ik verwachtte. Ik had gedacht dat hij opgelucht zou zijn. Maar misschien had ik hem voor het hele gezelschap neergezet als de man die door zijn vrouw beschermd moest worden tegen een rijke vriend. Dat was niet mijn bedoeling, maar misschien voelde het wel zo.

De volgende ochtend appte Kees alleen mij: ‘Jammer van gisteren. Ik hoop dat je mijn bedoeling wel snapt.’ Ik heb de hele dag naar dat bericht gekeken. Ik snapte zijn bedoeling best. Hij wilde iets delen wat voor hem inmiddels normaal was geworden. Hij wilde waarschijnlijk ook bewonderd worden, al zou hij dat nooit zeggen. En ik wilde niet bewonderen. Ik wilde gewoon weer iemand zijn die mee besliste over een vakantie.

Ik heb uiteindelijk in de groepsapp gezet dat Henk en ik dit jaar overslaan. Ik schreef dat het niet binnen ons budget en gevoel paste, wat laf en vaag klonk, maar ik wist niets beters.

Rob en Ellen gingen uiteindelijk ook niet. Zij hadden ineens iets met hun dochter in mei, al weet ik niet of dat echt zo was. Kees en Marjan zijn wel gegaan, met een ander stel dat ze via Spanje kennen.

Henk is nog steeds boos, zij het op een stille manier. Hij zegt dat het wel overwaait. Misschien heeft hij gelijk. Misschien hadden we gewoon mee moeten gaan en had niemand na twee dagen nog aan geld gedacht.

Maar vorige week stuurde Marjan een foto van het zwembad. Geen tekst erbij, alleen een hartje. Henk keek ernaar, legde zijn telefoon neer en zei: ‘Het zag er wel heel mooi uit.’

Ik zei dat het dat ook was. Daarna heb ik pasta opgewarmd van de dag ervoor en hebben we gegeten zonder veel te praten.