Na veertig jaar vriendschap kregen wij te horen dat we egoïstisch waren omdat we niet langer elke woensdag wilden zorgen

Vorige week heb ik voor het eerst in maanden op woensdagmiddag thuis gezeten zonder op de klok te kijken.

Geen tas met schone onderbroeken voor mevrouw De Wit in de gang. Geen boterhammen smeren omdat ze rond half één onrustig wordt als ze honger krijgt. Geen rit van Hilversum naar Baarn in de regen, om vervolgens twintig minuten voor een flat te staan omdat ik mijn pasje weer eens tegen de verkeerde lezer hield.

Ik wist niet goed wat ik met die vrije middag moest. Karin zat aan de keukentafel een puzzelboekje te doen. Ik heb de schuur opgeruimd, wat eigenlijk al twee jaar moest gebeuren. Het voelde tegelijk als opluchting en als iets waar ik me voor hoorde te schamen.

Henk en Marjan zijn al ruim veertig jaar onze vrienden. We leerden elkaar kennen op een camping bij Lac d’Annecy, nog voordat er kinderen waren en voordat iedereen een mobiel had. Henk had toen een lekke luchtbedpomp en kwam gereedschap vragen. Dat werd wijn drinken bij onze tent en daarna bleven we elkaar zien.

We deden de grote dingen samen, maar vooral ook de gewone. Oud en nieuw bij hen in Laren, verjaardagen, etentjes waar Henk altijd te veel vlees op de barbecue legde. Toen onze zoon Daan na zijn scheiding een tijdje bij ons in huis zat, nam Marjan hem zonder gedoe mee naar een klus bij haar buurvrouw. “Even zijn hoofd leegmaken,” zei ze. En toen Henk twee jaar geleden aan zijn knie geopereerd werd, reed ik hem naar de fysio omdat Marjan toen nog fulltime werkte.

Het was nooit boekhouden. Juist dat maakte de vriendschap fijn.

Vorig najaar zaten ze bij ons aan tafel en dronken ze nauwelijks van hun koffie. Marjan vertelde dat ze financieel vastliepen. Ze hadden een paar jaar eerder geld gestoken in vakantiewoningen in Spanje, via een kennis van Henk. Het zou een aanvulling op hun pensioen worden. Daarna kwamen hogere rente, een gedoe met vergunningen en huurders die niet betaalden. Ik heb de details nooit helemaal begrepen, en eerlijk gezegd wilde ik dat ook niet. Ze schaamden zich zichtbaar.

Ze vroegen niet om geld. Daar was ik ergens dankbaar voor, want wij hebben ook geen pot zonder bodem. Ons pensioen is prima, maar we wonen niet voor niets nog in hetzelfde rijtjeshuis in Hilversum.

Wat ze wel vroegen, klonk eerst overzichtelijk. Marjans moeder, mevrouw De Wit, woont alleen in Baarn en heeft Parkinson. De thuiszorg komt ’s ochtends en helpt met douchen en medicijnen. Marjan deed elke woensdag de boodschappen, kookte, regelde de was en bleef tot het begin van de avond. Henk ging in het weekend meestal langs.

Omdat zij allebei extra uren moesten maken, vroegen ze of Karin en ik die woensdag voorlopig konden overnemen.

“Alleen tot we weer een beetje boven water zijn,” zei Marjan.

Karin keek naar mij. Ik zei meteen dat het kon. Misschien omdat ik Henk zag wegkijken. Misschien omdat ik mezelf nog fit vond. Ik was net 63 en altijd degene geweest die zei dat je niet de hele dag op de bank moest gaan zitten zodra je met pensioen bent.

De eerste weken waren zelfs gezellig. Mevrouw De Wit kende ons natuurlijk van verjaardagen. Ze noemde mij soms per ongeluk Henk, maar dat vond ik niet erg. Karin nam een pannetje soep mee, ik repareerde een keer haar lampje boven het aanrecht. We kregen een vaste plek in haar leven en dat voelde niet verkeerd.

Alleen werden de woensdagen langer.

Mevrouw De Wit ging sneller achteruit dan Marjan aanvankelijk zei. Ze vergat dat we er waren geweest en belde soms ’s avonds omdat ze dacht dat er niemand meer kwam. Een keer trof ik haar in haar badjas op het balkon aan, in november. Ze wilde naar de supermarkt, zei ze, maar wist niet meer welke kant die op was.

We belden Marjan. Die zei dat we de huisartsenpost moesten bellen als we ons zorgen maakten. Dat deden we ook. Uiteindelijk kwam er niets dramatisch uit, maar ik lag die nacht wakker. Niet omdat ik haar niet aardig vond. Juist omdat ik bang was iets te missen.

Intussen werd ‘voorlopig’ iets zonder einde. Elke woensdag was geblokkeerd. Als we een paar dagen weg wilden met de caravan, moesten we het weken van tevoren met Henk en Marjan afstemmen. In februari hadden we een midweek naar Limburg geboekt. Marjan vroeg of we die konden verplaatsen, omdat haar moeder dan een afspraak in het ziekenhuis had en zij geen vrij kon krijgen.

Karin zei ja, maar in de auto terug van Baarn zei ze: “We vragen niet eens meer of het ons uitkomt.”

Dat was hard om te horen, omdat het waar was.

Zelf kreeg ik in maart weer last van mijn rug. Niet verschrikkelijk, maar na een middag tillen, wassen ophangen en steeds opstaan omdat mevrouw De Wit naar het toilet wilde, was ik twee dagen stijf. Karin heeft reuma in haar handen. Zij zei daar weinig over, tot ze op een woensdag een pot appelmoes niet open kreeg en daar plotseling om moest huilen. Gewoon in die keuken, met die pot in haar handen.

Ik denk dat ik het gesprek met Henk en Marjan eerder had moeten voeren. Daar ben ik niet trots op. Ik mopperde thuis en hield het bij hen luchtig. “Poeh, je moeder houdt ons bezig hoor.” Daardoor dachten zij waarschijnlijk dat het allemaal nog ging.

Begin vorige maand hebben we hen uitgenodigd om te eten. Ik had een ovenschotel gemaakt, veel te veel, zoals altijd als ik zenuwachtig ben.

Karin zei dat we nog tot eind mei de woensdagen konden doen, maar daarna wilden stoppen. Niet abrupt; we wilden best meedenken over dagbesteding, extra thuiszorg of een particuliere hulp als dat financieel haalbaar was. Maar wij wilden ook weer eens spontaan naar zee kunnen of een week met de caravan weg zonder eerst een zorgrooster te organiseren.

Marjan werd heel stil. Henk niet.

“Dus als het lastig wordt, haken jullie af,” zei hij.

Ik zei dat we niet afhaakten. Dat we een halfjaar geholpen hadden en dat het meer zorg was geworden dan waar we op hadden gerekend.

“Wij werken ons kapot om een puinhoop op te lossen,” zei Marjan toen. “Denk je dat ik het prettig vind dat mijn moeder afhankelijk is van jullie?”

Dat geloof ik ook echt niet. Maar toen zei Henk: “Echte vrienden laten elkaar toch niet vallen omdat hun vrije tijd in het gedrang komt?”

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Misschien omdat ik bang was dat er een kern van waarheid in zat. Wij hebben tijd. Zij hebben zorgen en schulden. Als ik in hun schoenen stond, zou ik misschien ook hopen dat vrienden niet gingen rekenen.

Maar ik zei: “Onze vrije tijd is niet het enige. Karin heeft pijn. Ik slaap slecht als er iets met je schoonmoeder gebeurt. En we zijn geen zorgorganisatie.”

Henk schoof zijn stoel naar achteren. Hij zei dat hij geen medelijden wilde en ook geen preek over hun keuzes. Dat was niet mijn bedoeling geweest, maar ineens klonk alles wat ik zei alsof ik precies dat deed.

Ze zijn na het eten vrij snel weggegaan. Marjan gaf Karin nog een kus, maar ze keek langs haar heen.

Sindsdien hebben we alleen praktische appjes gehad. Of we woensdag om tien uur kunnen komen. Of er nog melk is. Vorige woensdag hebben we voor het laatst voor mevrouw De Wit gezorgd. Marjan kwam na haar werk zelf. Ze was vriendelijk, bijna overdreven vriendelijk. Ze had bloemen meegenomen voor Karin en zei dat ze de komende tijd ‘wel een oplossing zouden vinden’.

Henk is niet meegekomen.

Karin wil hem bellen, maar ik houd het af. Niet uit boosheid. Ik weet gewoon niet wat ik moet zeggen zonder dat het klinkt alsof ik alsnog gelijk wil krijgen. Misschien hebben wij te lang gedaan alsof we het wel trokken. Misschien hebben zij van onze hulp iets gemaakt waar ze recht op kregen.

Vanmiddag staat onze caravan weer voor de deur. We vertrekken vrijdag naar Zeeland, vier nachten maar. Karin heeft de stoelen al klaar gezet in de voortent. Op mijn telefoon staat nog steeds de groepsapp met Henk en Marjan bovenaan, omdat daar jarenlang van alles in werd gestuurd: foto’s, verjaardagen, slechte grappen, routes voor vakanties.

De laatste boodschap is van Marjan: “Mam heeft een rustige nacht gehad.”

Ik heb er een duimpje op gezet. Meer durfde ik niet.