Mijn man wil onze fietsenzaak aan onze dochter geven, maar ik weet niet of ik dan nog naar binnen durf
De eerste keer dat Iris zei dat de winkel een nieuwe naam moest krijgen, dacht ik eerlijk gezegd dat ze een grap maakte.
Ze zat aan onze keukentafel met haar laptop open, een kop thee die ze niet aanraakte en allemaal gekleurde vakjes op haar scherm. Henk zat naast haar, met zijn leesbril half op zijn neus. Ik stond nog met mijn handen in het sop omdat ik net de glazen had afgewassen.
“De Vries Fietsen klinkt gewoon heel erg 1987, mam,” zei ze. “Dat is niet negatief bedoeld.”
Maar zo voelde het natuurlijk wel.
De Vries Fietsen ís 1987. Toen hadden Henk en ik net een huurhuis in Nieuwegein, een peuter van twee en precies genoeg geld om de borg van het pand aan de Dorpsstraat te betalen. Henk kon alles maken waar twee wielen aan zaten. Ik had nog nooit een factuur verstuurd, laat staan een jaarrekening bekeken, maar ik leerde het wel. Overdag stond ik in de winkel, ’s avonds deed ik de administratie aan de eettafel. Iris lag vroeger soms te slapen in haar kinderwagen tussen de dozen binnenbanden achter in het magazijn.
Ik weet heus wel dat een bedrijfsnaam geen heilig ding is. Toch kwam het binnen alsof ze zei dat al die jaren oud en onhandig waren geweest.
Henk is 67 en wil stoppen. Niet van de ene dag op de andere, maar hij heeft last van zijn schouder en hij is het zat om op zaterdagmiddag nog een lekke band te plakken voor iemand die vervolgens vraagt of het niet iets goedkoper kan. Dat begrijp ik. Ik ben zelf 64, ik wil ook niet tot mijn tachtigste in die winkel staan.
Alleen: stoppen is iets anders dan weggeven.
Iris is 35 en werkt nu bij een grote fietsenketen in Utrecht. Ze is goed, dat moet ik haar nageven. Ze kent alles van e-bikes, leaseconstructies, onderhoudscontracten en die elektrische bakfietsen waar wij vroeger om lachten. Ze heeft een plan gemaakt. Een nieuwe website met een webshop. Online afspraken voor de werkplaats. Minder merken in de winkel, maar wel betere marges. Een hoek voor refurbished fietsen. Geen schriftjes meer waarin Henk de reparaties noteert. Alles in een systeem.
En ze wil op maandag dicht.
Dat laatste was misschien nog wel het ergste. Maandag is bij ons altijd een gewone werkdag geweest. Mensen komen dan langs na het weekend, scholieren met een kapot licht, ouderen die even binnenlopen voor een praatje en uiteindelijk alleen een bel kopen. Iris noemt dat ‘niet rendabele inloop’. Ik noem het onze klanten.
“Die mensen kunnen ook dinsdag komen,” zei ze.
“Mevrouw Van Dongen kan niet zomaar dinsdag komen,” zei ik. “Die past dan op haar kleinkind.”
Iris zuchtte toen. Niet overdreven, maar net genoeg.
“Mam, ik kan geen bedrijf runnen op basis van de agenda van mevrouw Van Dongen.”
Henk zei niets. Hij keek naar zijn thee.
Dat vond ik op dat moment nog erger dan wat Iris zei.
We hebben maanden gepraat, als je het praten kunt noemen. Iris kwam eens per twee weken eten en dan lag er na het toetje ineens weer een uitgeprinte begroting op tafel. Ze had uitgezocht wat vergelijkbare zaken deden. Ze wist hoeveel omzet we waarschijnlijk misliepen doordat we online nauwelijks zichtbaar zijn. Ze had zelfs foto’s gemaakt van onze etalage, zonder dat ik het wist, om te laten zien dat die “rommelig en niet uitnodigend” was.
Daar had ze niet helemaal ongelijk in. Er staan inderdaad te veel kinderzitjes en oude reclameborden. Maar die blauwe Gazelle-poster hangt er al sinds mijn vader nog leefde. Hij hielp ons destijds met schilderen toen we de zaak openden. Dat hoeft Iris niet te voelen zoals ik dat voel, maar soms leek het alsof ze niets voelde bij alles wat er al was.
Op een zondag in april kwam de echte klap.
We waren bij Henk zijn broer in Culemborg voor zijn verjaardag. Iedereen stond met een biertje in de hand onder zo’n partytent die bij elke windvlaag een beetje kraakte. Iris trok ons apart, achter de schuur.
Ze zei dat ze de zaak alleen wilde overnemen als zij volledige zeggenschap kreeg. Niet samen met mij als ‘adviseur die overal iets van vindt’, zoals ze het formuleerde. Ze wilde dat Henk en ik nog een tijdje konden helpen als wij dat wilden, maar de beslissingen moesten bij haar liggen.
“Want anders blijven we eindeloos onderhandelen over de kleur van een prijskaartje,” zei ze.
Ik weet nog dat ik meteen naar Henk keek. Ik verwachtte dat hij zou zeggen dat dit niet de manier was. Dat hij haar zou afremmen, al was het maar een beetje.
Maar hij knikte.
Niet enthousiast. Niet hard. Gewoon een knikje.
“Ze heeft wel een punt, Ria,” zei hij. “Als zij het risico neemt, moet zij het ook kunnen doen op haar manier.”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Het rare is: ik wist dat hij zakelijk gezien misschien gelijk had. Iris gaat geld lenen. Zij moet straks salarissen betalen, voorraad inkopen, de huur ophoesten. Maar ik hoorde alleen dat mijn eigen man, met wie ik elke regenachtige november in die koude werkplaats heb gestaan, blijkbaar vond dat ik vooral lastig zou zijn.
Ik ben die avond eerder naar huis gegaan. Henk kwam later met Iris mee, omdat zij nog even wilde praten. Ik deed niet open toen ze aanbelden. Kinderachtig, dat weet ik. Ik zat boven op bed en hoorde hen beneden zacht praten. Niet stiekem, niet samenzweerderig. Ik kon elk woord verstaan als ik had gewild. Juist daarom bleef ik liggen.
De volgende ochtend ging ik gewoon naar de winkel. Om half negen draaide ik de sleutel om. Henk kwam om kwart over negen binnen en vroeg of we koffie zouden drinken.
Ik zei: “Je hebt je keuze blijkbaar al gemaakt.”
Hij werd boos. Dat gebeurt niet vaak bij hem. Hij zei dat ik alles persoonlijk maakte, dat hij niet tegen mij koos maar vóór Iris. Dat hij bang was dat we de zaak zouden verkopen aan een keten als we haar nu wegduwden. Hij zei ook dat hij moe was van altijd de bemiddelaar zijn.
Daar kreeg ik schuldgevoel van, want misschien was hij dat al jaren zonder dat ik het zag.
Iris kwam een week later alleen langs. Ze had geen laptop bij zich. Ze bleef bij de deur staan, met haar jas nog aan.
“Ik wil je niet eruit werken,” zei ze. “Maar ik kan niet jouw versie van de winkel voortzetten omdat jij bang bent dat mensen denken dat ik het verpest.”
Ik zei dat ik daar niet bang voor was.
Dat was niet waar.
Ik ben bang dat zij de zaak beter gaat runnen dan wij ooit hebben gedaan. Dat klinkt afgunstig, en misschien is het dat deels ook. Maar het is ook iets anders. Als zij alles verandert en het loopt goed, waar laat ik dan die veertig jaar waarin wij dachten dat dit de juiste manier was?
We hebben nu afgesproken dat we een onafhankelijke bedrijfsadviseur laten meekijken naar de overdracht. Iris krijgt de dagelijkse leiding als het doorgaat. Ik blijf voorlopig eigenaar van een deel van het pand en werk nog twee ochtenden per week mee, maar niet in de planning of de inkoop. Dat laatste heb ik met tegenzin toegezegd.
Vorige week heeft Iris de oude poster uit de etalage gehaald. Ze had hem netjes opgerold en in het magazijn gezet. Ik zei er niets van.
Later die middag kwam mevrouw Van Dongen binnen voor een nieuw achterlicht. Iris hielp haar. Ze nam de tijd, vroeg naar haar kleindochter en zette zelfs haar fiets even recht bij de stoeprand.
Toen mevrouw Van Dongen weg was, keek Iris naar mij en zei: “Maandag blijven we de eerste maanden gewoon open. Dan zien we wel.”
Ik heb alleen maar geknikt. Meer kon ik op dat moment niet opbrengen.