Mijn beste vriend vroeg of wij drie dagen per week voor zijn zieke vrouw wilden zorgen, maar mijn eigen vrouw wil geen nee zeggen

Vorige week stond Bram bij ons in de keuken met zijn jas nog aan. Het was half elf ’s morgens. Els had net koffie gezet en er lag een half pak speculaas op tafel, zoals altijd wanneer iemand onverwacht langskomt.

Hij keek niet eens naar de koffie. Hij zei alleen: „Ik trek het niet meer, jongens.”

Bram is 71, ik ben 69. We kennen elkaar sinds 1983, van de volleybalvereniging in Amersfoort. We gingen vroeger met twee gammele caravans naar Frankrijk, onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool, en toen mijn moeder overleed stond Bram als eerste bij de deur. Niet met grote woorden, dat is hij niet, maar met een pan nasi voor in de vriezer en de vraag of hij de tuin moest doen.

Zijn vrouw, Ria, en Els zijn misschien nog hechter dan Bram en ik. Elke donderdag koffie, vroeger met de kinderen erbij en later zonder. De laatste jaren gingen we samen een weekje naar Texel als het weer een beetje meezat. Ria nam dan altijd veel te veel truien mee en klaagde op de boot al dat ze haar zonnebril was vergeten.

Nu kan ze nauwelijks meer uit bed.

Ze heeft uitgezaaide kanker. Eerst was er nog behandeling, ziekenhuisbezoeken, hoop die dan weer wat kleiner werd. Sinds januari is het duidelijk dat het niet meer beter wordt. Ria wil thuis blijven, heel nadrukkelijk. In haar eigen slaapkamer, met haar uitzicht op de appelboom van de buren en haar radio zacht aan. Bram heeft dat beloofd. Ik snap dat ook. Als je zo lang in hetzelfde huis woont, zit je leven in de kleinste dingen: de kraak van de trap, de plek waar de theezakjes liggen, de stoel bij het raam.

Maar Bram doet bijna alles alleen. De thuiszorg komt ’s ochtends en ’s avonds, soms wat langer als er iets is. De huisarts is betrokken en er is een palliatief team geweest. Toch zitten er tussen die momenten hele dagen. Wassen, helpen naar het toilet, medicijnen klaarzetten, eten maken dat Ria vaak niet op krijgt, bed verschonen, afwassen, bellen, formulieren. En vooral opletten. Bram slaapt naar eigen zeggen in stukjes van twintig minuten.

Hij vroeg of Els en ik drie dagen per week konden komen. Niet even een boodschap doen of een uurtje gezelschap. Hij bedoelde van ongeveer tien tot vier. Zodat hij kon slapen, wandelen, misschien gewoon een keer niet de hele tijd luisteren of Ria roept.

Els zei meteen: „Natuurlijk, Bram. We gaan kijken hoe we dat regelen.”

Ik weet nog dat ik haar aankeek. Niet boos, eerder in paniek. Ze had al iets toegezegd terwijl ik daar naast haar zat met mijn handen om mijn koffiemok.

Bram begon te huilen. Heel stil. Dat maakte het onmogelijk om nog iets te zeggen wat ook maar op twijfel leek.

Die middag zijn we gegaan. Ria lag boven, veel dunner dan ik haar ooit had gezien. Ze maakte nog een grap over haar kapsel, of eigenlijk het gebrek eraan. Els hielp haar met een washandje en schone pyjama. Ik heb beneden de vaatwasser uitgeruimd, soep opgewarmd en geprobeerd niet naar de stapel incontinentiemateriaal in de gang te kijken alsof het iets vreemds was. Het is niet vreemd. Alleen: het kwam ineens heel dichtbij.

Bram ging drie uur naar bed. Hij zei dat hij niet zou kunnen slapen, maar binnen tien minuten hoorden we niets meer boven de babyfoon die hij inmiddels ook gebruikt om Ria te horen.

Op de terugweg zei Els: „Zie je nou wel dat het nodig is?”

Ik zei: „Dat heb ik nooit ontkend.”

„Je deed wel alsof het een verzoek was om een paar plantjes water te geven.”

Dat vond ik onredelijk en ik zei iets terug over dat zij altijd meteen in de reddersstand schiet. Daar werd ze stil van. We reden bijna de hele weg naar huis zonder radio.

Het lastige is dat ik mezelf ook niet mooi vind in dit verhaal. Ik wil helpen. Ik hou van die mensen. Als Bram morgen belt dat hij gevallen is of Ria pijn heeft, stap ik in de auto. Daar gaat het niet om.

Maar we zijn pas anderhalf jaar met pensioen. Els werkte in de thuiszorg tot haar 67e en heeft daar bewust nog twee jaar langer doorgewerkt omdat ze niet zomaar kon stoppen. Ze heeft een slechte schouder en slaapt slecht als ze te veel prikkels heeft. Ik heb vorig jaar gedoe gehad met mijn hart en moet van de cardioloog juist blijven bewegen en niet steeds over mijn grenzen gaan. We hebben eindelijk een ritme dat goed voelt. Zwemmen op maandag, oppassen op onze kleindochter op woensdagmiddag, soms zomaar de trein naar Zwolle of Haarlem pakken. Niet spectaculair, maar het is ons leven geworden.

En ik weet hoe dit gaat. Drie dagen worden vier dagen omdat de thuiszorg door ziekte uitvalt of omdat Ria een slechte week heeft. Een uurtje langer wordt vanzelfsprekend. Je zegt niet: sorry, mijn middagdutje staat gepland, als iemand boven misselijk is en je vriend in elkaar zakt van vermoeidheid.

Els zei die avond dat ze zichzelf nooit zou vergeven als Ria tegen haar zin naar een verpleeghuis moest omdat wij onze agenda zo belangrijk vonden.

Ik zei dat het niet ónze schuld is als thuis wonen niet meer haalbaar is. Meteen nadat ik het zei, had ik er spijt van. Niet omdat het niet waar is, maar omdat het zo hard klonk. Alsof Ria een praktische kwestie is waar je een oplossing voor moet zoeken.

De dag erna belde Bram. Hij klonk helder, bijna zakelijk. Hij had met de wijkverpleegkundige gesproken. Er kon misschien tijdelijk extra zorg geregeld worden, maar niet de uren die hij nodig had. Hij zei: „Als jullie dit niet kunnen, moet ik echt naar andere mogelijkheden kijken. Ik wil Ria niet wegdoen, begrijp me niet verkeerd. Maar ik kan haar ook niet in de steek laten omdat ik zelf omval.”

Dat laatste bleef hangen. Hij vroeg ons niet om een gunst voor zichzelf alleen. Hij probeerde zijn vrouw thuis te houden én te voorkomen dat hij zo moe wordt dat hij fouten gaat maken.

Els is inmiddels dinsdag en donderdag bij Ria geweest. Ik ben dinsdag meegegaan. Donderdag zei ik dat ik thuis bleef, zogenaamd omdat de cv-ketel onderhoud nodig had. Dat was ook zo, maar die afspraak had ik best kunnen verzetten. Ik wilde gewoon één dag niet nodig zijn.

Els kwam thuis met rode ogen. Ria had tegen haar gezegd dat ze zich schaamde dat Els haar moest helpen op de wc. Els had gezegd dat dat onzin was, maar thuis zei ze: „Ik weet niet of ik dit aankan, Kees.”

Ik zei niet: zie je wel. Gelukkig maar, want dan had ik haar waarschijnlijk enorm gekwetst.

Vanavond gaan we bij Bram zitten om niet alleen over volgende week te praten, maar over wat realistisch is. Ik wil voorstellen dat we twee vaste dagen doen, voorlopig vier weken, en dat we samen met de wijkverpleegkundige kijken welke aanvullende ondersteuning er mogelijk is. Els vindt twee dagen te weinig. Bram heeft eigenlijk drie dagen nodig. Ria wil helemaal geen onbekenden over de vloer, behalve Els en mij, en dat begrijp ik ergens ook nog.

Er ligt nu een lijstje op onze keukentafel. Els heeft erop geschreven wat zij allemaal bij Ria kan doen. Ik heb eronder gezet wat ik wel en niet lichamelijk kan tillen. Het ziet er bijna administratief uit, terwijl het over mensen gaat die al veertig jaar bij ons horen.

Straks neem ik dat lijstje mee. Ik weet alleen nog niet of het helpt, of juist pijnlijk duidelijk maakt dat liefde en vriendschap soms niet genoeg uren in een week maken.