Na 32 jaar regel ik het weekendje weg van onze vriendengroep niet meer, en ineens ben ik degene die de sfeer verpest
Ik wist dat er iets scheef zat toen ik op een dinsdagochtend, met mijn koffie nog naast me, een appje van Hanneke zag.
“Zullen we dit jaar weer naar Limburg? Marijke, jij hebt vast wel leuke huisjes gezien.”
Er stonden binnen een kwartier zes duimpjes onder. Niet één vraag of ik daar zin in had. Niet één: zullen we het samen doen? Alleen die rustige, bijna opgewekte aanname dat ik het wel weer zou oppakken.
Ik ben 64, sinds januari met pensioen, en ik zou eigenlijk moeten genieten van die lege dinsdagochtenden. Daar had ik me jarenlang op verheugd. Geen wekker om half zeven, geen gedoe met roosters op school waar ik werkte, geen ouders die om tien voor vijf nog “heel even” wilden praten. Gewoon tijd. Voor een wandeling, een boek, wat rommelen in de tuin, misschien eindelijk die cursus keramiek in het buurthuis.
In plaats daarvan zat ik de eerste maanden van mijn pensioen ineens vaker achter de laptop dan toen ik nog werkte. Niet voor school, maar voor onze vriendengroep.
Wij zijn met vijf stellen. We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, uit de straat waar we toen allemaal in de nieuwbouw woonden in Amersfoort. De kinderen speelden samen buiten, wij zaten met plastic bekers wijn op de stoep als het warm was. Inmiddels wonen we verspreid: Leusden, Soest, Baarn, twee van ons nog in Amersfoort. De kinderen hebben zelf kinderen, sommigen zijn gescheiden, we hebben ziektes gehad, banen verloren, ouders begraven. Elke donderdagavond eten we om beurten bij iemand. Nou ja, officieel om beurten.
In de praktijk stuurde ik de appjes. Ik hield bij wie wanneer niet kon. Ik belde een restaurant als we een keer buiten de deur wilden. Ik maakte een Tikkie als iemand boodschappen had voorgeschoten, omdat anders na drie weken nog niemand wist wat hij precies moest betalen. Voor verjaardagen regelde ik een cadeau. Voor de jaarlijkse barbecue maakte ik een lijstje wie salade, stokbrood of vlees meenam, anders nam iedereen stokbrood mee en niemand iets voor de kinderen die geen saté lustten.
Ik deed dat niet omdat iemand me daartoe dwong. Dat is juist het lastige. Ik vond het lang ook gewoon leuk. Ik wist graag waar ik aan toe was. En eerlijk gezegd voelde ik me er ook belangrijk door. Als ik het organiseerde, liep het tenminste. Dat zeg ik niet trots, maar het is wel waar.
Alleen werd het langzaam iets waar niemand nog over nadacht. Als ik een keer niets stuurde op maandag, bleef het stil tot woensdagmiddag. Dan kwam er: “Marijke, waar zitten we morgen eigenlijk?” Alsof ik een soort secretariaat was dat tijdelijk niet bereikbaar was.
Hans, mijn man, zag het eerder dan ik. Hij is 66 en sinds vorig jaar ook gestopt met werken. Hij zei soms: “Je hoeft niet meteen te reageren.” Maar dan kwam er een bericht over een etentje en dacht ik: als ik nu niks doe, zegt iedereen op het laatste moment af en zit Kees met veel te veel lasagne. Dus deed ik het toch.
In februari heb ik het op een donderdagavond voorzichtig gezegd. We zaten bij Willem en Ingrid. Zij hadden nasi gemaakt uit een pakje, wat prima was, maar Willem bleef maar zeggen dat het “niet zoals die van Marijke” was. Iedereen lachte. Ik lachte ook, maar ik voelde iets dichtklappen.
Na het eten zei ik dat ik iets wilde voorstellen. Dat we voortaan per maand een ander stel de donderdagavond-app en eventuele uitjes zou laten regelen. Niet ingewikkeld. Gewoon een rooster. Ik wilde best nog meedoen, maar niet meer alles dragen.
Er viel zo’n stilte die veel langer voelde dan hij waarschijnlijk was.
Toen zei Ingrid: “Maar jij vindt dat toch juist leuk? Jij bent daar goed in.”
“Vond ik ook,” zei ik. “Maar ik wil wat minder op mijn telefoon zitten en niet steeds overal achteraan.”
Kees trok zijn wenkbrauwen op. “Je bent net met pensioen. Dan heb je toch juist tijd?”
Dat was niet eens kwaad bedoeld, denk ik. Kees zegt vaker dingen zonder eerst na te denken. Toch kreeg ik er een warm hoofd van. Alsof mijn tijd, nu ik geen loonstrook meer kreeg, vanzelf van iedereen was.
Hanneke zei dat zo’n rooster “wel erg zakelijk” klonk. Peter begon over dat we toch geen vereniging waren. Hans zei toen, wat ongemakkelijk maar lief: “Nee, maar we zijn ook geen bedrijf waar één iemand altijd de administratie doet.”
Daar werd het niet gezelliger van. Willem maakte een grap over een jaarvergadering en een notulist. Daarna ging het gesprek over iets anders, maar ik merkte dat niemand mijn voorstel echt had opgepakt.
De weken erna veranderde er weinig. Ik probeerde het los te laten. Een keer gingen we niet eten omdat niemand iets had afgesproken. Hans en ik hebben toen thuis soep gegeten en ik voelde me belachelijk opgelucht. Ook schuldig, want ik wist dat Ingrid die avond uiteindelijk friet had gehaald omdat zij dacht dat het bij ons zou zijn.
Toen kwam het weekendje weg.
We doen dat al bijna twintig jaar. Eerst met de kinderen erbij, in grote vakantiehuizen met stapelbedden en natte handdoeken overal. Nu gaan we met z’n tienen. Meestal in november, ergens waar je kunt wandelen en ’s avonds aan een lange tafel kunt zitten. Vorig jaar waren we in Drenthe. Ik had dat geregeld terwijl ik nog werkte, en achteraf was ik er drie weken druk mee geweest: huis zoeken, mensen najagen voor hun voorkeuren, bedden verdelen, boodschappenlijst, restaurant reserveren omdat Hanneke geen gluten eet en Peter overal commentaar op heeft als het te duur is.
Op dat appje van Hanneke heb ik niet meteen gereageerd. De hele ochtend niet. Ik heb de was opgehangen, ben naar de markt gefietst en heb een bos tulpen gekocht die eigenlijk te duur waren. Toen ik thuiskwam, waren er al berichten bijgekomen.
“Limburg is leuk!”
“Als er maar een goede badkamer is.”
“Marijke weet wel iets.”
Hans las mee over mijn schouder. Hij zuchtte. “Als jij nu weer begint te zoeken, ben je de rest van de week kwijt.”
Ik zei: “Ik wil geen gedoe.”
“Maar geen gedoe betekent in dit geval dat jij het gedoe overneemt.”
Dat was vervelend om te horen omdat hij gelijk had.
Ik heb uiteindelijk in de groep gezet: “Ik organiseer het weekend dit jaar niet. Ik wil graag mee, maar alleen als de taken verdeeld worden. Bijvoorbeeld twee mensen voor het huisje, twee voor de boodschappen en iemand voor het restaurant of kookindeling. Anders slaan Hans en ik dit jaar over.”
Ik heb dat bericht zeker vijf keer herschreven. Het klinkt nog steeds harder dan ik me voelde.
De eerste reactie kwam van Willem: “Zo, dat is wel een ultimatum.”
Daarna Hanneke: “Ik vind dit eerlijk gezegd niet zo gezellig gebracht. We proberen gewoon iets leuks te plannen.”
En Ingrid stuurde me apart een bericht: “Je hoeft niet meteen alles zo persoonlijk te maken. Iedereen waardeert echt wat je doet.”
Dat laatste maakte me misschien nog wel het verdrietigst. Waarderen is blijkbaar dat mensen het fijn vinden dat je iets doet, maar niet dat ze vragen wat het je kost.
Ik ben niet helemaal netjes gebleven. Ik schreef terug dat ik het juist persoonlijk vond dat er blijkbaar pas iets geregeld kon worden als ik het deed. Hanneke belde me daarna. Ze klonk gekwetst en zei dat ik de groep veranderde in een projectgroep met takenlijstjes. Ik zei dat de groep al jaren als een projectgroep werkte, alleen zonder dat iemand behalve ik een taak had.
Daarna hebben we drie dagen nauwelijks iets gehoord in de app. Op donderdag waren Hans en ik niet uitgenodigd, of misschien was er gewoon niets afgesproken. Ik weet het niet. Uiteindelijk aten we een broodje bij Van Gogh, vlak bij het station. Het was best lekker. We praatten over de verbouwing van onze badkamer, over zijn knie, over niets bijzonders. Toch keek ik die avond steeds op mijn telefoon.
Inmiddels is er wel een huisje geboekt. Kees en Willem hebben dat gedaan, na veel heen en weer over de prijs. Ingrid heeft aangeboden de boodschappen te regelen. Hanneke zei dat ze het koken wel wil coördineren, al zette ze erbij: “Als dat dan de bedoeling is.” Ik weet nog steeds niet hoe ik daarop moet reageren zonder weer de boel glad te strijken.
Hans vindt dat ik gewoon moet gaan en me niet overal mee moet bemoeien. Misschien heeft hij gelijk. Maar ik ben bang dat ik daar straks zit en zie dat er te weinig handdoeken zijn of dat niemand aan ontbijt heeft gedacht, en dat ik dan alsnog naar de supermarkt rijd omdat ik dat nu eenmaal doe.
Vorige week stuurde Hanneke alleen: “Weet jij toevallig of daar een oven in zit?”
Ik heb een uur niet gereageerd.
Toen heb ik geschreven: “Geen idee, Han. Volgens mij staat de link in de app.”
Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en ben ik de tuin in gegaan. De tulpen stonden al slap in de vaas.