Mijn broer wil bij ons intrekken nu hij hulp nodig heeft, maar mijn man zegt dat ons pensioen daar niet voor bedoeld is
De logeerkamer staat al maanden vrijwel leeg, behalve als mijn kleindochter Noor blijft slapen. Dan liggen er knuffels op het bed en vergeet ze steevast een sok onder de stoel. Afgelopen dinsdag stond ik daar met een stapel schone handdoeken in mijn armen en keek ik ineens anders naar die kamer. Niet als Noors kamer, niet als logeerkamer, maar als de plek waar mijn broer Henk misschien binnenkort zou wonen.
Ik ben 67 en sinds vorig voorjaar met pensioen. Ik werkte jarenlang op de administratie van een installatiebedrijf in Alkmaar. Mijn man Kees is 70, voormalig buschauffeur. We wonen sinds 2018 in een dorp onder Hoorn, in een rijtjeshuis dat niet groot is, maar voor ons precies goed. Een kleine tuin, een schuurtje waar Kees aan zijn fiets prutst, en achterom ben je zo bij de supermarkt.
We hadden het eindelijk rustig. Niet op een spectaculaire manier. Gewoon rustig. Op donderdag koffie bij de markt, een paar dagen weg met de caravan als het weer een beetje meewerkt, oppassen als onze dochter daarom vraagt. We letten op ons geld, maar we hoeven niet elke euro om te draaien. Dat voelde na al die jaren werken als iets waar we recht op hadden.
Henk is vier jaar jonger dan ik. Toen we klein waren, waren we heel hecht. Onze vader was vaak weg voor zijn werk en mijn moeder had periodes dat ze nauwelijks uit bed kwam. Henk en ik regelden veel samen. Hij was degene die me op mijn zestiende van school haalde toen ik in paniek was na een ruzie. Ik was degene die hem later opving toen zijn eerste relatie stukliep.
Maar Henk is altijd ook Henk gebleven. Charmant, gul als hij net geld had, goed met mensen, maar slecht in alles wat daarna komt. Brieven openen, afspraken nakomen, op tijd huur betalen, niet te veel drinken als hij somber is. Hij heeft banen gehad, korte relaties, tijdelijke woningen. Elke keer dacht ik: nu snapt hij het. En elke keer belde hij me uiteindelijk toch weer, meestal net nadat hij eerst iedereen had weggeduwd.
De laatste jaren werd het erger. Hij heeft diabetes en deed daar weinig mee. Hij vond het allemaal overdreven gedoe. Hij miste afspraken bij de huisarts, at wat hem uitkwam en vertelde mij aan de telefoon dat hij “zich best prima” voelde. Tot hij vorige maand onwel werd in zijn flat in Purmerend. Een buurvrouw hoorde hem vallen en belde 112.
Hij heeft ruim twee weken in het ziekenhuis gelegen. Daarna werd duidelijk dat hij niet zomaar terug kon naar zijn flat. Hij is slecht ter been, moet zijn medicatie echt volgens schema gebruiken en er is thuiszorg nodig. Alleen: zijn flat is op drie hoog zonder lift. De verhuurder wil niet zomaar iets regelen en Henk zelf had al maanden een huurachterstand. Of het een officiële ontruiming wordt, weet ik niet eens precies. Hij vertelt dingen altijd half, ook als het belangrijk is.
Toen hij me vanuit het ziekenhuis belde, klonk hij kleiner dan ik hem ooit gehoord had.
“An, ik heb echt niemand. Ik kan daar niet meer naar boven. Waar moet ik heen?”
Ik zei meteen dat ik het zou uitzoeken. Dat floepte eruit voordat ik erover nadacht. Ik belde met de transferverpleegkundige, met de gemeente, met zijn woningcorporatie. Er werd gesproken over tijdelijk herstelzorg, indicaties, wijkverpleging, een aanvraag voor iets wat misschien pas over weken duidelijkheid geeft. Alles klonk als formulieren, wachttijden en terugbelverzoeken.
Kees zat er de eerste dagen vrij stil bij. Hij maakte thee voor me terwijl ik aan de keukentafel belde. Hij zei zelfs dat het goed was dat ik hielp. Maar toen ik op een avond zei dat Henk misschien voorlopig bij ons kon komen, legde hij zijn krant neer.
“Voorlopig is bij Henk nooit voorlopig, Anja. Dat weet je zelf ook.”
Ik werd meteen boos. Niet omdat hij ongelijk had, denk ik. Juist omdat hij precies raakte waar ik bang voor was.
“Hij kan toch niet op straat belanden?”
“Nee,” zei Kees. “Maar daaruit volgt niet automatisch dat hij hier moet wonen. Wij zijn geen zorginstelling. En jij bent zijn zus, niet zijn hulpverlener.”
Dat laatste vond ik hard. Tegelijk zag ik zijn handen trillen toen hij zijn kopje optilde. Kees heeft zelf hartproblemen gehad, niet heel ernstig, maar hij moet rustig aan doen. Sinds zijn pensioen slaapt hij eindelijk beter. Hij heeft jarenlang vroege diensten gehad, weekenden gewerkt, met mensen in de bus die hem uitscholden omdat ze hun aansluiting misten. Hij wil geen gedoe meer in huis. Dat zegt hij ook gewoon.
Ik stelde voor om Henk niet alleen te laten wonen, maar een zorgcoach in te schakelen. Iemand die helpt met structuur, afspraken, boodschappen, administratie. Via de thuiszorg krijg je niet alles en Henk heeft iemand nodig die echt achter hem aan zit. Ik had al rondgekeken. Particuliere begeleiding is duur, maar misschien konden we een paar maanden overbruggen met ons spaargeld.
Daar ging Kees echt van op slot.
“Ons spaargeld?”
“Niet alles. Gewoon om hem even op gang te helpen.”
“We hebben dat geld niet voor leuke dingen bij elkaar gespaard, Anja. Daar zit ook onze buffer in. Voor als er met één van ons iets gebeurt. Voor het huis. Voor later. Jij doet nu alsof later niet bestaat.”
Ik zei dat Henk ook niet zomaar een vreemde was. Kees antwoordde dat hij dat heus wist, maar dat familie zijn volgens hem niet betekende dat je je hele leven laat bepalen door de grootste puinhoop in de familie.
Dat was een nare zin. Ook omdat ik hem ergens laf vond. Henk had het niet makkelijk gehad. Onze moeder was moeilijk, onze vader kon ijskoud zijn. Maar ik weet ook dat Henk inmiddels 63 is. Je kunt niet alles blijven uitleggen vanuit vroeger. Dat heb ik zelf ook vaak genoeg tegen hem gezegd, alleen niet wanneer hij huilend aan de telefoon hangt.
Afgelopen zondag kwamen mijn dochter en schoonzoon eten. Ik had niets willen zeggen, maar Kees begon er zelf over toen onze dochter vroeg waarom ik zo stil was. Het werd ongemakkelijk aan tafel. Mijn schoonzoon zei voorzichtig dat er misschien via de Wmo ondersteuning mogelijk was. Onze dochter zei dat ze oom Henk graag wilde helpen met bellen en formulieren, maar dat ze niet wilde dat wij eraan onderdoor gingen.
Ik hoorde mezelf zeggen: “Dus iedereen helpt, zolang hij maar niet te dichtbij komt.”
Daar schaam ik me nu voor. Mijn dochter keek alsof ik haar een klap gaf. Ze heeft een baan, twee jonge kinderen en woont veertig minuten rijden hier vandaan. Ze bedoelde het goed. Maar op dat moment voelde ik me alleen staan.
Gisteren belde Henk weer. Hij had gehoord dat het tijdelijke herstelbed waar hij nu zit binnenkort stopt. Hij zei niet: ik wil bij jullie wonen. Hij zei: “Ik reken een beetje op jou, zus.” Alsof die woorden alles moesten oplossen.
Ik heb niet meteen ja gezegd. Dat deed ik vroeger wel. Dan ging ik regelen, voorschieten, schoonmaken, bemiddelen met een werkgever of een huisbaas. Nu zei ik dat ik eerst met Kees moest praten. Henk werd stil en zei toen dat hij dat wel snapte, maar ik hoorde de teleurstelling. Of misschien hoorde ik vooral mijn eigen schuldgevoel.
Kees en ik praten nu nog steeds, maar voorzichtig. Alsof er iets breekbaars op tafel ligt tussen de boterhammen en de reclamefolders. Ik wil Henk niet laten vallen. Kees wil niet dat ik ons laat vallen. En het vervelende is dat ze allebei iets van mij vragen wat ik niet volledig kan geven.
Vanmiddag komt er iemand van het wijkteam bij Henk langs. Ik ga mee, met een map vol papieren die ik voor hem heb uitgeprint. Kees blijft thuis. Hij heeft gezegd dat hij wil horen welke mogelijkheden er zijn, maar dat ik Henk geen toezegging mag doen namens ons allebei.
Dat is redelijk. Ik weet dat het redelijk is.
Toch heb ik vanmorgen de lakens van het logeerbed verschoond.