Mijn man wilde de gulle gastheer blijven, maar ik was het zat om elke donderdag achter iedereen aan op te ruimen

De vaatwasser draaide voor de tweede keer die donderdag toen ik zag dat er nog drie bierglazen op de vensterbank stonden. Buiten was het al donker. Henk zat op de bank met zijn voeten op het kleed, tevreden naar een herhaling van BinnensteBuiten te kijken, alsof er niets gebeurd was.

“Gezellig weer,” zei hij.

Ik zei niks. Ik stond met een theedoek in mijn hand naar een opgedroogd kringetje op de eettafel te kijken.

In het begin vond ik het echt leuk. We waren allebei net met pensioen. Henk had veertig jaar bij de gemeente gewerkt, ik in een verpleeghuis in de keuken. Ineens hoefde de wekker niet meer. Geen avonddiensten, geen broodtrommels, geen haast bij de voordeur. Onze kinderen wonen in Utrecht en Zwolle, hebben hun eigen levens en komen wanneer het uitkomt. Dat is prima, zo gaat dat.

Henk had al jaren een vaste club oud-collega’s en aanhang: Kees en Marjan, Ria, Theo, en sinds een paar jaar ook Wim, die na zijn scheiding alleen was komen wonen. Eerst dronken ze om de beurt ergens koffie. Maar toen wij onze serre hadden laten aanbouwen, zei Henk een keer: “Kom maar hier, we hebben ruimte zat.”

Dat werd een donderdag. Elke donderdag.

Eerst koffie met appeltaart van de supermarkt. Daarna vaak een borrel. In de zomer zaten ze tot laat onder de overkapping, met de terrasverwarmer aan zodra iemand het een beetje fris kreeg. In de winter stond de verwarming in de serre hoger, want Wim had het altijd koud. Er werd geklaverjast, voetbal gekeken, gepraat over kwaaltjes, kleinkinderen, de politiek en wie er nou weer te hard reed in de straat.

Henk glom ervan. Hij was altijd al iemand die graag mensen om zich heen had. Als hij de voordeur opendeed, hoorde ik hem zeggen: “Nou, daar zijn jullie dan eindelijk,” alsof hij een café runde waar iedereen op zat te wachten.

Ik vond het lastig om daar iets van te zeggen. Want het waren aardige mensen. Marjan vroeg heus weleens of ze moest helpen, maar dan stond ze al met haar jas aan als ze het zei. Kees bracht soms een zak pinda’s mee die vervolgens op tafel bleef staan. Ria nam één keer een bos tulpen mee, geloof ik. Dat was in maart.

Maar niemand zag de rest. Dat ik ’s ochtends al de wc schoonmaakte omdat Theo daar altijd met zijn krant naartoe ging. Dat ik extra melk haalde, blokjes kaas sneed, de voorraadkast aanvulde en na afloop de vloer dweilde omdat Wim steevast kruimels achterliet van zijn toastjes. Niemand zag ook onze energierekening, die na die koude winter ineens bijna honderd euro hoger lag dan ik had verwacht.

Nou ja, Henk zag het natuurlijk wel. Hij wilde het alleen niet zien.

Toen ik er voor het eerst iets over zei, stonden we bij de Jumbo. Hij duwde de kar en had er twee flessen port in gelegd, omdat Kees die zo lekker vond.

“Waarom kopen wij die eigenlijk?” vroeg ik. “Kees drinkt hem bijna alleen op.”

Henk keek me aan alsof ik een rare opmerking maakte.

“Hij neemt volgende keer wel wat mee.”

“Dat doet hij nooit.”

“Ach, Elly. We gaan toch niet op een paar euro’s zitten kijken?”

Het ging mij niet om die port. Maar zodra ik dat zei, klonk het inderdaad alsof het om die port ging. Dus ik zweeg weer. Ik schaamde me er zelfs een beetje voor dat ik blijkbaar zo’n vrouw werd die bijhield wie wat meebracht.

De waarheid was ook dat we het niet zó ruim hadden als Henk naar buiten toe deed voorkomen. We redden het, absoluut. We hebben geen schulden. Maar zijn pensioen viel lager uit dan hij altijd dacht en mijn kleine pensioen erbij is ook geen vetpot. De serre, die we nog net voor zijn pensionering hadden laten zetten, betalen we nog steeds deels af. Onze kinderen weten dat niet eens precies.

Henk wilde vooral niet dat de club dacht dat wij moesten opletten op geld. Hij had altijd degene willen zijn bij wie alles kon. De man met het grote huis, de volle koelkast, de goede verhalen. Misschien klinkt dat onaardig, maar ik denk dat hij daar een stuk van zichzelf aan ontleende. Nu hij niet meer werkte, was die donderdag een beetje zijn podium geworden.

In september zei ik dat het anders moest. Niet stoppen met de groep, maar rouleren. De ene week bij ons, de week erna bij Kees en Marjan, daarna bij Ria. Iedereen heeft een huis. Niet iedereen heeft een serre, maar dat hoeft ook niet.

Henk werd boos. Niet hard schreeuwen, zo is hij niet, maar hij werd stil en strak in zijn gezicht.

“Bij Ria kan dat helemaal niet, die woont driehoog.”

“Dan drinken we daar koffie met z’n allen. Of we gaan wandelen. Het hoeft toch niet altijd hier?”

“Je maakt er iets zwaars van wat gewoon gezellig is.”

Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven. Alsof ik de gezelligheid kapotmaakte door te benoemen wie hem mogelijk maakte.

De donderdag daarna had ik me voorgenomen mijn mond te houden. Echt. Ik had zelfs een schaal met bitterballen in de airfryer gedaan, hoewel ik daar inmiddels een hekel aan kreeg, aan dat piepje en iedereen die dan meteen naar de keuken kwam kijken.

Halverwege de middag zei Marjan lachend: “Elly, volgend jaar doen we hier toch weer de nieuwjaarsborrel? Bij ons is het zo krap met de kinderen erbij.”

Iedereen knikte al een beetje. Henk ook.

En toen floepte het eruit.

“Dan moeten we misschien eerst eens afspreken hoe we dat verdelen,” zei ik.

Het werd niet helemaal stil, maar wel zo’n stilte waarin iedereen ineens heel druk naar zijn glas kijkt.

Ik voelde mijn wangen warm worden. Toch ging ik door. “Ik vind het fijn dat jullie komen, echt. Maar het is nu elke week hier. Alles blijft ook hier hangen, qua boodschappen, opruimen, stroom, noem maar op. Ik zou het prettig vinden als we af en toe ergens anders zitten, of dat we samen iets regelen.”

Theo zei als eerste: “Maar Elly, wij dachten juist dat jullie dit graag deden.”

“Dat deed ik ook. In het begin.”

Marjan keek gekwetst. “Je had het gewoon kunnen zeggen.”

Daar had ze gelijk in, en juist daarom ergerde het me. Want ik had het tegen Henk gezegd. Maar tegen hen niet, nee. Ik had jarenlang koffie ingeschonken en gedaan alsof het me niets kostte.

Kees mompelde iets over dat hij best wilde bijdragen. Wim haalde meteen zijn portemonnee tevoorschijn, wat het alleen maar ongemakkelijker maakte. Ik wilde geen collecte houden aan mijn eigen eettafel. Henk zei bijna niets. Hij stond op en liep naar de keuken om nieuwe glazen te pakken die niemand gevraagd had.

Die avond hebben we ruzie gehad. Een echte, vermoeiende ruzie waarbij je allebei dingen zegt die al langer klaarstaan.

Hij zei dat ik hem voor schut had gezet.

Ik zei dat hij mij al maanden alleen liet opdraaien voor zijn gezelligheid.

Hij zei dat ik wist hoe belangrijk die mensen voor hem waren.

Ik zei dat hij blijkbaar niet wist hoe belangrijk het was dat ik me in mijn eigen huis niet de bediening voelde.

De weken erna veranderde er wel iets, maar niet netjes en niet zoals in mijn hoofd. Kees en Marjan nodigden iedereen één keer bij hen uit. Het was klein, warm en rommelig. Marjan had te veel hapjes gemaakt en verontschuldigde zich de hele tijd dat de stoelen niet lekker zaten. Ria stelde voor om voortaan eens per maand naar het eetcafé bij het winkelcentrum te gaan, ieder voor zich betalen.

Maar de donderdaggroep is kleiner geworden. Theo komt nog nauwelijks. Wim appt Henk soms apart. En Henk organiseert nog steeds het meeste, alleen vraagt hij nu vooraf aan mij of het kan. Soms zeg ik ja. Soms zeg ik: “Niet deze week.”

Hij zegt dan meestal alleen: “Oké.” Niet warm, niet blij, maar ook niet meer alsof ik gek ben.

Vanmiddag komt de groep weer bij ons. Vier man dit keer, geen acht. Henk heeft zelf boodschappen gehaald. Hij vroeg of ik er ook bij kwam zitten.

Ik heb gezegd dat ik eerst even naar mijn zus ga. Misschien kom ik later terug. Misschien ook niet. De badkamer heb ik in ieder geval niet extra schoongemaakt.