Na veertig jaar vriendschap wil ik niet meer mee op reis, maar mijn man vindt dat ik alles kapotmaak
Ik heb nog steeds een foto op de kast staan van onze eerste gezamenlijke vakantie. Vier jonge mensen voor een tent in de Ardèche, met van die veel te korte spijkerbroeken en een koelbox die het na twee dagen al niet meer deed. Henk en ik waren net getrouwd. Paul en Marijke woonden nog in een bovenwoning in Utrecht en hadden geen cent te makken, net als wij eigenlijk.
Later kwamen de kinderen. Eerst hun Bas, toen onze Jeroen, toen hun dochter en onze Eva. We stonden bij elkaar op de stoep met kinderwagens, deelden oppasavonden en gingen jarenlang met Pasen een weekend naar een huisje op de Veluwe. Toen mijn moeder overleed, zat Marijke naast me aan de keukentafel en zette ze zonder iets te vragen thee. Toen Paul een hartinfarct kreeg, reed Henk drie keer per week naar het ziekenhuis omdat Marijke niet durfde te rijden.
Ik zeg dit niet om te bewijzen dat we perfecte vrienden waren. We hebben ook ruzies gehad. Over geld in een restaurant meestal, of over hoe laat je weggaat. Maar het was altijd vertrouwd. Alsof zij gewoon bij ons leven hoorden.
Sinds we met pensioen zijn, is dat veranderd. Misschien is het ook wel begonnen omdat we ineens zoveel meer tijd hadden. Vroeger zag je elkaar eens in de paar weken en dan had iedereen werk, kinderen, gedoe. Nu is er op maandag koffie, soms op donderdag een borrel, en als het weer een beetje aardig is wordt er meteen een fietstocht voorgesteld.
Marijke is de laatste twee jaar anders tegen mij gaan doen. Niet in één keer gemeen of zo. Eerder kleine opmerkingen waar je op het moment zelf nog omheen lacht.
Toen ik vertelde dat ik twee dagen per week in de kringloopwinkel was gaan helpen, zei ze: “Jij kunt ook gewoon niet stilzitten hè. Je hebt zeker moeite met ouder worden.”
Een andere keer, toen ze bij ons kwam eten, keek ze naar mijn pan met aardappelpuree en zei ze dat zij ‘allang van die zware Hollandse kost af was’. Ze had een boek gelezen over ontstekingen en voeding. Vervolgens ging het een halfuur over suiker, brood, zuivel en hoe mensen van onze generatie zichzelf eigenlijk verwaarloosd hadden.
Ik ben niet iemand die alles meteen persoonlijk opvat. Althans, dat denk ik van mezelf. Maar ik merkte dat ik vóór hun bezoek al onrustig werd. Dan stond ik opeens de kussens recht te leggen en dacht ik: laat maar, ze vindt toch weer iets. Mijn haar, mijn jas, dat we nog niet naar Portugal verhuisd zijn, dat ik op mijn kleinkinderen pas terwijl Eva best opvang kan betalen.
Henk zag het niet. Of hij wilde het niet zien.
“Marijke is gewoon direct,” zei hij als ik er iets van zei. “Dat was ze vroeger ook al.”
Dat klopt niet helemaal. Vroeger kon ze direct zijn, ja, maar er zat warmte in. Nu voelt het alsof ze mij steeds een beetje kleiner maakt en daarna verwacht dat ik erom lach.
In november waren we bij hen voor het eten. Paul had stoofvlees gemaakt. Henk en hij zaten al snel over voetbal en vroeger bij de gemeente te praten. Marijke vroeg mij hoe het met Jeroen ging. Hij zit sinds zijn scheiding tijdelijk in een huurappartement in Amersfoort en het gaat niet geweldig met hem. Hij werkt wel, maar hij is moe en heeft zijn kinderen om het weekend.
Ik vertelde niet eens veel. Alleen dat ik me soms zorgen maakte.
Marijke keek me aan en zei: “Maar jij maakt je altijd zorgen om je kinderen. Misschien moet je hem eens laten merken dat hij het zelf moet oplossen.”
Ik weet nog dat ik mijn vork neerlegde. Heel rustig, omdat ik bang was dat mijn hand anders zou trillen. Ik zei: “Ik denk dat je niet weet hoeveel ik me ermee bemoei, Marijke.”
Ze haalde haar schouders op. “Nee, maar ik ken jou wel.”
Henk zei niets. Paul ook niet. Er viel zo’n stilte waarin je iedereen zijn bestek hoort. Daarna vroeg Paul of iemand nog rode wijn wilde.
In de auto zei Henk dat ik wel erg fel reageerde. Ik werd daar zo kwaad van dat ik eerst niets zei. Thuis heb ik mijn jas over een stoel gegooid, wat ik normaal nooit doe, en ben ik naar boven gegaan. Henk kwam later naast me op bed zitten en zei dat hij geen zin had in gedoe tussen twee stellen die al veertig jaar bevriend waren.
Alsof ik daar wel zin in had.
Na die avond heb ik een paar afspraken afgezegd. Niet met een groot verhaal. Gewoon: ik heb al iets staan, ik ben moe, andere keer. Henk ging soms alleen. Dat vond ik prima, echt. Hij komt tot leven als hij met Paul praat. Ze kennen elkaars flauwe grappen al sinds hun diensttijd. Ik wil hem dat niet afpakken.
Maar toen kwam het voorstel voor volgend voorjaar. Paul en Marijke willen drie weken met een camper door Toscane en Umbrië, en ze hadden al zitten kijken naar campings. Het plan was dat wij met onze eigen auto zouden gaan en onderweg steeds bij elkaar zouden aansluiten. “Net als vroeger, maar dan comfortabeler,” schreef Marijke in onze groepsapp, met foto’s van cipressen en wijnvelden.
Henk werd er meteen vrolijk van. Hij stuurde hartjes terug, wat hij normaal alleen naar de kleinkinderen stuurt. Die avond begon hij al over een dakkoffer en of we misschien een paar dagen langer konden blijven.
Ik heb twee dagen gewacht. Ik hoopte dat het gevoel zou zakken. Maar elke keer als ik aan drie weken dacht, zag ik mezelf aan een ontbijttafel zitten terwijl Marijke vertelt dat mijn koffie verkeerd is, dat ik te veel eet, te weinig wandel, te beschermend ben, te ouderwets. Misschien zou ze dat niet allemaal zeggen. Maar ik wist dat ik de hele tijd op scherp zou staan.
Ik zei tegen Henk dat ik niet mee wilde.
Hij dacht eerst dat ik een grap maakte. Daarna zei hij: “Drie weken is lang, maar we kunnen toch gewoon ons eigen ding doen?”
“Dat lukt nooit,” zei ik. “Dan wordt het elke dag afstemmen, wachten, rekening houden. En ik wil dat niet meer.”
Hij werd stil en keek naar zijn handen. Uiteindelijk zei hij dat ik een vriendschap van veertig jaar niet kon laten bepalen door een paar irritaties met Marijke.
Ik zei dat het voor hem irritaties waren, maar dat ik me bij haar niet meer op mijn gemak voelde. Dat ik me na een middag met hen leeg voelde. Hij zei toen, niet hard maar wel pijnlijk: “Je trekt je de laatste jaren wel vaker dingen aan.”
Daar heb ik ook mijn aandeel in. Ik weet dat ik sneller geraakt ben sinds mijn moeder er niet meer is, en sinds Jeroens scheiding. Ik ben niet altijd ontspannen. Soms hoor ik kritiek waar iemand misschien alleen maar een mening heeft. Maar ik ben niet gek. Ik voel echt verschil tussen een vriendin die zich zorgen maakt en iemand die telkens net over je heen praat.
Vorige week belde Paul. Hij vroeg of Henk al wist welke weken we konden. Ik hoorde Henk in de keuken zeggen dat hij het nog niet wist. Paul lachte wat ongemakkelijk en zei: “Ach, die vrouwen onderling, dat komt wel goed.”
Henk vertelde me dat later alsof het een geruststelling was. Ik vond het juist verschrikkelijk. Alsof het iets kleins en onvermijdelijks is, een soort humeur waar de mannen geen last van hoeven te hebben.
We hebben nu afgesproken dat Henk binnenkort alleen met Paul gaat wandelen en dat hij dan eerlijk zegt dat ik niet mee wil op reis. Niet alle details, zegt hij. Hij wil Marijke niet kwetsen en hij is bang dat het definitief wordt als hij woorden als ‘kritisch’ of ‘onveilig’ gebruikt.
Ik snap dat ergens. Paul is niet degene die mij die opmerkingen maakt. En ik wil ook niet dat Henk zijn beste vriend verliest omdat ik het niet meer trek.
Maar ik heb wel gezegd dat ik volgend jaar niet drie weken doe alsof alles normaal is voor de gezelligheid van vroeger. Misschien gaan Henk en ik samen een week naar Texel, buiten het seizoen. Misschien gaat hij een deel van Italië alsnog met Paul en Marijke doen. Bij dat laatste krijg ik een knoop in mijn maag, en daar schaam ik me voor.
Vanmiddag stond de groepsapp weer bovenaan. Marijke had een link gestuurd naar een camping met een zwembad en schreef: “Deze is echt iets voor ons allemaal.”
Ik heb het bericht gelezen. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en ben ik soep gaan maken. Henk kwam binnen, keek naar de pan en vroeg of er nog brood was. We hebben het niet over Italië gehad.