Na mijn pensioen wilde ik weer iets van mezelf, maar voor mijn man voelde dat alsof ik onze vrienden in de steek liet

Ik had nooit gedacht dat ik op mijn 64e ruzie zou krijgen over de donderdagavond.

Donderdagavond was gewoon donderdagavond. Al zeker vijfentwintig jaar. Wij aten om en om bij Henk en Marja of bij ons. Soms was het lasagne uit een pakje, soms maakte Marja stoofvlees waar ze al ’s ochtends mee begon. In de zomer zaten we onder hun afdak in Almere Buiten, met zo’n elektrisch terrasverwarmertje dat eigenlijk te weinig deed. In de winter bij ons aan de ronde eettafel, met de kaarsen die ik ooit van mijn zus heb gekregen.

We gingen samen op vakantie. Eerst met de kinderen in stacaravans in Frankrijk, later met z’n vieren naar de Moezel, Drenthe, een keer naar Portugal. We wisten van elkaar wie er te veel dronk op een feestje, welke schoonzus niet te pruimen was en hoe lang Henk na zijn bypass eigenlijk bang was geweest om alleen naar de supermarkt te fietsen. Het waren geen kennissen. Het waren mensen die in alle kamers van je leven lijken te hebben gestaan.

Mijn man, Peter, ging drie jaar geleden met pensioen. Hij werkte bij een installateur in Amersfoort, was altijd vroeg weg en kwam meestal moe maar tevreden thuis. Ik werkte nog door op de administratie van een basisschool. Niet omdat ik zo’n carrièrevrouw ben, hoor. Ik vond het gewoon fijn om ergens verwacht te worden. De telefoon, de kinderen die hun broodtrommel vergeten waren, de juffen die vroegen of ik even iets wilde uitprinten. Gedoe, maar wel mijn gedoe.

Sinds Peter thuis is, is hij veranderd zonder dat ik dat meteen doorhad. Niet dramatisch. Hij is nog steeds lief, maakt koffie voor me en onthoudt wanneer de afvalbak aan de straat moet. Maar zijn wereld is kleiner geworden. Een paar oud-collega’s ziet hij nauwelijks meer. Zijn broer woont in Zeeland en belt vooral als er iets met hun moeder is. Onze dochter woont in Zwolle met haar gezin en heeft het druk, wat ik haar ook niet kwalijk neem.

Dus bleef Henk en Marja over als iets vasts. Peter keek er echt naar uit. Op woensdag vroeg hij al: “Wat zullen we morgen eten?” Alsof we voor een feest moesten inkopen.

Ik ging dit voorjaar met pensioen. De laatste vrijdag op school kreeg ik een mand met cadeautjes, bloemen en een boekbon. Iedereen zei: “Nu lekker genieten, Nel.” Ik lachte en zei dat ik daar heel goed in was.

De eerste weken vond ik het ook heerlijk. Geen wekker. Rustig koffie drinken. Eindelijk de kledingkast uitzoeken. Maar ergens in mei begon het te knagen. Niet omdat ik me verveelde, precies. Ik voelde me alsof ik ineens alleen nog de vrouw van Peter was, de moeder van Sanne en Bas, de vriendin van Marja. Allemaal prima rollen, maar ik had geen idee meer wat ik zelf nog leuk vond buiten die mensen.

Via de bibliotheek zag ik een cursus creatief schrijven in het wijkcentrum. Acht woensdagavonden. Ik heb vroeger altijd dagboeken bijgehouden, heel kinderachtig soms, en ik lees veel. Ik schreef me in voordat ik mezelf kon tegenhouden.

Die eerste avond zat ik met twaalf onbekenden in een lokaal waar het naar koffie en vloerreiniger rook. Er was een vrouw die vroeger verpleegkundige was geweest, een man van mijn leeftijd die gedichten schreef over zijn overleden hond, twee jonge meiden en een Surinaamse vrouw die de mooiste verhalen vertelde over haar moeder. Ik kwam thuis met drie velletjes papier in mijn tas en een vreemd soort energie.

Peter zei: “Nou, was het wat?”

Ik zei dat ik het heel leuk vond.

Hij knikte, maar bleef naar de televisie kijken. Later vroeg hij of ik nu elke woensdag weg zou zijn. Ik zei ja, voorlopig wel.

“Dan kunnen we toch gewoon donderdag bij Henk en Marja blijven doen?” zei hij.

Ik zei: “Natuurlijk.” En dat meende ik ook.

Alleen merkte ik na een paar weken dat ik die donderdagavonden anders begon te beleven. Niet door Henk en Marja, want ik hou echt van ze. Maar het was altijd hetzelfde gesprek. Henk over zijn knie. Marja over haar dochter die misschien toch wil verhuizen. Peter over een aanbieding bij de bouwmarkt. Ik hoorde mezelf dingen vertellen die ik al drie keer verteld had.

Soms zat ik om kwart voor tien in de auto naar huis en dacht ik: morgen hoef ik nergens heen, maar ik heb toch geen zin om laat op te staan. Dan was ik moe van het sociaal doen, terwijl ik nog maar net begonnen was met iets nieuws.

Een donderdag in juli had ik voor het eerst afgezegd. Ik had die middag met twee vrouwen van de cursus afgesproken om in de stad koffie te drinken. Dat was spontaan ontstaan. We bleven veel langer hangen dan gepland. Toen ik thuiskwam, regende het hard en ik wilde alleen maar een boterham met kaas en een serie kijken.

Peter stond in de keuken met zijn overhemd al aan.

“Gaan we nog?” vroeg hij.

Ik zei dat ik Marja een berichtje had gestuurd dat ik er niet aan toe kwam.

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik met iemand anders op vakantie ging. “Maar Henk heeft speciaal die saté gehaald.”

“Dat wist ik niet.”

“Je zegt het gewoon op het laatste moment af, Nel.”

Daar had hij gelijk in. Ik had eerder moeten bellen. Dat zei ik ook. Maar vervolgens zei hij: “Sinds die cursus ben je alleen maar met jezelf bezig.”

Dat kwam harder aan dan ik verwachtte. Misschien omdat ik zelf ook bang was dat het waar was.

Een paar weken later stelde ik voor om niet iedere donderdag te doen, maar één keer per maand echt uitgebreid af te spreken. En tussendoor konden zij en Peter best eens samen naar een voetbalwedstrijd of konden we een keer lunchen. Ik bedoelde het als een praktische oplossing. Niet als een breuk.

Peter werd heel stil. Hij zat aan de tafel en vouwde het kassabonnetje van de Albert Heijn steeds kleiner op.

“Dus wat we al die jaren hebben gehad, past nu ineens één keer per maand in jouw agenda?” zei hij.

Ik werd meteen boos. “Alsof ik het weggooi. Ik wil gewoon niet dat mijn hele week al vastligt omdat we dat toevallig altijd zo hebben gedaan.”

Hij zei dat ik mijn nieuwe dingen ook op andere dagen kon plannen. Ik zei dat het niet om die ene cursus ging. Ik wil soms juist ruimte hebben om ja te zeggen zonder eerst te rekenen met donderdagavond, een verjaardag, een oppasdag en de rest. Ik wil niet elk leeg plekje meteen weer vullen omdat leeg blijkbaar verdacht is.

Toen zei hij iets waar ik geen antwoord op had: “Voor jou zijn er nieuwe mensen. Voor mij zijn Henk en Marja zo ongeveer de enigen die nog vanzelf bellen.”

Ik wist dat hij zich soms eenzaam voelde, al gebruikte hij dat woord nooit. Hij heeft ook geen behoefte aan een cursus of een wandelgroep. Hij vindt nieuwe mensen vaak vermoeiend en doet alsof hij daar boven staat, maar ik denk dat hij bang is om er niet tussen te passen. Henk kent hem al sinds zijn twintigste. Bij Henk hoeft hij niet uit te leggen waarom hij stiller is geworden.

Ik heb Marja uiteindelijk gebeld, met een knoop in mijn maag. Ik verwachtte dat ze gekwetst zou zijn. Dat was ze waarschijnlijk ook, maar ze zei vooral: “Ach Nel, ik snap het wel. Alleen Henk zal het lastig vinden. Die heeft het idee dat alles verdwijnt zodra iets verandert.”

Dat vond ik bijna erger, omdat ik dacht: ja, dat heeft Peter ook.

We zijn nu drie weken verder. Afgelopen donderdag is Peter alleen naar Henk en Marja gegaan. Hij kwam pas na elf uur thuis, een beetje rozig van de wijn en opvallend opgewekt. Hij vertelde dat Marja een nieuwe bril had en dat Henk misschien weer wil gaan vissen. Het klonk goed. Tegelijk voelde ik me schuldig dat ik opgelucht was geweest om een avond alleen thuis te zijn.

Volgende maand gaan we met z’n vieren een weekend naar een huisje in Overijssel, iets wat al lang vaststond. Ik heb er zin in en zie ertegenop. Peter doet alsof alles normaal is, maar als ik zeg dat ik op woensdag schrijfles heb, zegt hij soms: “Ja hoor, jij hebt je eigen programma.” Niet gemeen genoeg om er ruzie over te maken. Wel precies gemeen genoeg om het te voelen.

Ik heb hem gisteren voorgesteld dat hij zelf eens iets zoekt wat niet via mij loopt. Een kaartclub, vrijwilligerswerk bij de voetbalvereniging waar hij vroeger kwam, desnoods koffie drinken met een oud-collega. Hij haalde zijn schouders op en zei dat hij geen zin heeft om ergens als nieuwe binnen te vallen.

Daar snap ik hem in. Ik vond die eerste cursusavond ook verschrikkelijk spannend.

Maar ik kan niet terug naar een leven dat voor hem veilig voelt als ik er zelf steeds minder in aanwezig ben. En ik wil ook niet dat onze vriendschap met Henk en Marja verandert in iets waar Peter mij elke donderdag op afrekent.

Vanavond eten we restjes. Peter heeft bloemkool over van maandag en ik heb nog een bakje rijst in de koelkast. Misschien praten we erover. Misschien kijken we gewoon naar een quiz en zeggen we allebei niks. Dat gebeurt de laatste tijd ook vaker.