Na veertig jaar vriendschap bleek een wereldreis ineens belangrijker dan samen koffie drinken

De groepsapp heet al jaren ‘De Vrijdagclub’, terwijl we al zeker tien jaar niet meer elke vrijdag afspreken. Er staat een foto in van ons vieren op een terras in Maastricht, ergens rond 2008. Henk met een te kleine zonnebril op, Marijke die haar glas omhooghoudt, mijn Pieter met zijn arm om mij heen. Ik zie er op die foto jonger uit dan ik me toen voelde.

Sinds een paar weken is die app een soort reisbureau geworden.

Marijke stuurt filmpjes van businessclassstoelen, links naar hotels in Kyoto en foto’s van een cruiseschip waar je blijkbaar een rondje om de wereld mee kunt maken. Vier maanden. Singapore, Australië, Nieuw-Zeeland, Tahiti, Panama, New York. Als ik het opsom, klinkt het nog steeds absurd.

‘Dit doen we maar één keer,’ schreef ze vorige maand. ‘En het lijkt ons zó bijzonder als we dit met jullie doen. Zoals vroeger, maar dan groot.’

Vroeger was een lang weekend in de Ardennen al groot voor ons. Toen de kinderen klein waren, gingen we met twee tenten naar Frankrijk. Later huurden we eens een huisje op Texel. We hebben zoveel met Henk en Marijke gedaan dat ik soms niet eens meer weet welke vakantie bij wie hoorde. De lekke koelbox, Pieter die in Italië zijn portemonnee kwijtraakte, Marijke die altijd te veel eten meenam en op dag drie alsnog ging mopperen dat niemand hielp.

Ik houd van ze. Of ik hield van de manier waarop het met hen was, dat weet ik tegenwoordig niet meer zo goed.

Henk en Marijke zijn vorig jaar met pensioen gegaan. Henk werkte bij Rijkswaterstaat en Marijke in het onderwijs. Ze hadden hun huis bijna afbetaald, geen kinderen die nog thuis woonden, en ze hadden blijkbaar al jaren gespaard. Ik gun het ze echt. In het begin vond ik het zelfs aanstekelijk. Ze gingen met de trein naar Wenen, daarna drie weken naar Portugal met een camper. Elke keer als ze terug waren, hadden ze plannen voor het volgende.

Maar bij elk plan zat vanzelfsprekend een plek voor ons.

Pieter is 65 en sinds januari drie dagen per week met pensioen. Hij werkt nog twee ochtenden bij zijn oude installatiebedrijf, meer voor de jongens daar dan voor zichzelf. Ik word in november 64 en stop dan als doktersassistente. Vijfendertig jaar heb ik in dezelfde praktijk gewerkt, eerst in een portacabin achter het oude gezondheidscentrum en later in het nieuwe gebouw. Iedereen vraagt wat ik daarna ga doen.

Ik weet het niet precies. Ik wil een beetje uitslapen. Fietsen zonder doel. Misschien helpen bij de bibliotheek, of bij het taalmaatjesproject waar mijn buurvrouw over vertelde. In onze straat wonen sinds kort twee jonge gezinnen en een oudere mevrouw, Ans, die slecht ter been is. Ik wil niet meteen mijn hele agenda weer vullen omdat dat blijkbaar hoort bij een actief pensioen.

Pieter begrijpt dat wel, zegt hij. Maar als Henk belt, verandert er iets.

Dan loopt hij door de kamer met zijn telefoon tegen zijn oor gedrukt en zegt hij dingen als: ‘Ja, geweldig idee, man,’ en ‘Dat moeten we serieus bekijken.’ Hij zegt nooit meteen ja. Dat is juist het vervelende. Hij laat alles open, alsof ik later degene ben die een deur dichtgooit.

De wereldreis kostte, afhankelijk van de hut en de excursies, ergens tussen de vijfentwintig- en dertigduizend euro per persoon. Marijke zei dat heel luchtig tijdens een etentje bij hen thuis.

‘Je moet het ook zien als je laatste grote avontuur,’ zei ze, terwijl ze risotto opschepte. ‘Later krijg je misschien gedoe met knieën of weet ik veel wat. Nu kunnen we nog.’

Ik verslikte me bijna in mijn wijn. Niet eens vanwege dat bedrag. We kunnen het betalen als we willen. We hebben geen schulden, een bescheiden hypotheek en allebei pensioen opgebouwd. Maar ik dacht aan vier maanden weg. Aan koffers. Aan elke dag samen moeten beslissen waar je eet, wat je bezoekt, hoe laat je opstaat. Aan Marijke die bij een stedentrip van drie dagen al onrustig wordt als ik een uur op een bankje wil zitten.

Pieter zei: ‘Poeh, dat is wel een bedrag.’

Henk lachte. ‘Je neemt niks mee, Piet. We hebben hard genoeg gewerkt. Bovendien: met z’n vieren is het gewoon veel leuker.’

Ik zei die avond bijna niets. Thuis vroeg Pieter of ik stil was omdat ik het te duur vond.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil gewoon niet vier maanden met jullie op een schip.’

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik nooit meer met hen wilde omgaan.

‘Dat is niet helemaal eerlijk,’ zei hij. ‘Het is niet alleen een schip. Het is een reis waar zij al heel lang van dromen.’

‘Precies. Hún droom.’

Daar hebben we die avond ruzie over gekregen, op zo’n vermoeiende manier waarop niemand echt schreeuwt maar je allebei steeds harder gaat praten. Pieter zei dat ik de laatste tijd overal tegenaan hik. Ik zei dat hij alleen maar meegaat omdat Henk meegaat. Dat was gemeen, want Pieter is oprecht nieuwsgierig naar de wereld. Hij heeft vroeger nooit veel gereisd omdat hij al jong bij zijn vader in de zaak moest werken.

Maar ik voelde me ook gemeen behandeld, alleen zonder dat iemand iets heel ergs deed.

Een week later kwam de echte druk. Marijke belde mij onder werktijd. Ik stond net dossiers op te ruimen, het was rustig in de praktijk.

‘We moeten nu wel weten waar jullie staan,’ zei ze. ‘De rederij heeft een optie, maar die verloopt vrijdag. En eerlijk: als jullie niet meegaan, moeten we misschien andere mensen vragen. Zo’n reis doe je niet graag met z’n tweeën als je altijd met z’n vieren reist.’

Ze zei het niet lelijk. Dat maakt het lastiger. Haar stem klonk gekwetst nog voordat ik iets had gezegd.

Ik zei dat ik het met Pieter zou bespreken, maar dat ik zelf er geen goed gevoel bij had.

Toen bleef het even stil.

‘Geen goed gevoel bij de reis, of bij ons?’ vroeg ze.

Ik had kunnen liegen. Ik had kunnen zeggen dat ik bang was voor zeeziekte, dat het te veel geld was, dat ik nog niet wist hoe het op mijn werk zou lopen. In plaats daarvan zei ik: ‘Bij de hoeveelheid. Bij de duur. Bij het idee dat ik nu al moet beloven dat ik vier maanden lang overal zin in heb.’

Marijke zuchtte. ‘Je weet toch ook dat je niet alles hoeft mee te doen? Maar soms moet je jezelf gewoon een schop onder je kont geven, Els. Anders wordt je wereld steeds kleiner.’

Daar werd ik boos van. Niet eens direct. Pas nadat ik had opgehangen en een patiënt aan de balie vroeg waar hij een herhaalrecept kon aanvragen. Ik hoorde mezelf uitleg geven en dacht ondertussen alleen maar: mijn wereld is niet klein omdat ik niet naar Tahiti wil.

Vrijdagavond zaten we bij Henk en Marijke aan tafel om ‘gewoon duidelijkheid te hebben’. Henk had de laptop al openstaan met de route. Pieter keek ernaar alsof hij zichzelf probeerde over te halen.

Ik zei dat Pieter van mij best mee mocht als hij dat echt wilde. Misschien niet de hele vier maanden, misschien een deel. Maar ik ging niet.

Marijke keek naar haar handen. Henk zei: ‘Dat verandert wel de dynamiek.’

‘Dat snap ik,’ zei ik.

‘We zijn altijd een team geweest,’ zei hij toen.

Ik weet nog dat ik daar juist verdrietig van werd. Alsof ik door één keer nee te zeggen alle jaren ervoor uitwiste. Alsof die vriendschap alleen bestond zolang ik precies deed waar de rest zin in had.

Pieter zei bijna niets. Op weg naar huis vroeg hij of ik echt wilde dat hij alleen ging. Ik zei dat ik niet wilde dat hij uit schuldgevoel thuisbleef. Ook dat was niet helemaal eerlijk, want het idee dat hij vier maanden weg zou zijn, maakte me misselijk.

Uiteindelijk hebben Henk en Marijke besloten een ander stel te vragen. Mensen van hun golfclub, die volgens Marijke ‘ook heerlijk spontaan’ zijn. De optie is inmiddels omgezet in een boeking. Ze vertrekken in februari.

We zien elkaar nog wel, maar anders. Afgelopen zondag dronken we koffie bij ons thuis. Het was vriendelijk, bijna overdreven vriendelijk. Henk vertelde over vaccinaties en Marijke liet foto’s zien van de kleding die ze had gekocht. Pieter stelde vragen. Ik ook, omdat ik niet onaardig wilde doen.

Toen ze weg waren, bleef Pieter lang bij het raam staan. Hij zei: ‘Ik heb het gevoel dat we iets kapot hebben gemaakt.’

Ik wilde zeggen dat zij dat ook hadden gedaan. Dat ik niet degene was die onze vriendschap aan een reis had gekoppeld. Maar ik zei alleen: ‘Misschien was het al iets anders geworden.’

Morgen ga ik na mijn dienst kijken bij de bibliotheek of ze nog vrijwilligers zoeken. Pieter heeft nog steeds niet besloten of hij later een paar weken naar Australië vliegt om bij Henk en Marijke aan te sluiten. Hij noemt het soms, daarna wekenlang niet.

In de groepsapp is het stil. Alleen gisteren stuurde Marijke een foto van vier identieke koffers in hun gang. Ik heb er een hartje onder gezet. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en ben ik een rondje door de wijk gaan lopen.