Ik dacht dat we onze beste vrienden hielpen, maar langzaam werden we hun mantelzorgers

De donderdagavond bij Henk en Marianne was vroeger zo vast als de klok. Els maakte meestal iets met pasta, ik nam wijn mee van de aanbieding bij Albert Heijn, en Henk stond dan al in de deuropening voordat we hadden aangebeld. Hij riep altijd dat we te vroeg waren, ook als we een kwartier te laat kwamen.

We kennen elkaar sinds 1987. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we hebben samen in een stacaravan in Frankrijk gestaan, elkaars verhuizingen gedaan en na het overlijden van mijn vader zat Henk drie avonden naast me op de bank zonder dat hij probeerde iets verstandigs te zeggen. Gewoon aanwezig. Dat was Henk.

Dus toen Marianne vorig voorjaar vertelde dat hij bij de geheugenpoli was geweest, dacht ik vooral: we gaan dit samen doen. Hij vergat afspraken, raakte de draad kwijt in verhalen, soms wist hij niet meer welke afslag hij op de A12 moest hebben. Marianne zei steeds dat het “nog maar beginnend” was. Ze gebruikte dat woord bijna als een deksel op een pan.

In het begin hielpen we zonder er echt over na te denken. Ik ging een keer mee om de DigiD van Henk weer werkend te krijgen. Els kookte extra en bracht een schaal lasagne langs. Marianne had een stapel ongeopende post op tafel liggen: zorgverzekeraar, bank, iets van de gemeente. Zij is nooit goed geweest met administratie en Henk deed dat altijd.

‘Als jij er toch bent, Karel, wil je hier even naar kijken?’ vroeg ze.

Natuurlijk wilde ik dat. Ik zei zelfs dat ze alles maar in een map moest doen, dan konden we het rustig uitzoeken.

Dat was achteraf niet zo slim.

Binnen een paar maanden ging ik iedere dinsdagmiddag naar hen toe. Niet omdat we dat hadden afgesproken, maar omdat er iedere dinsdag wel iets was. Een rekening die volgens Marianne niet klopte. Een e-mail van de huisarts die ze niet kon openen. Henk die zijn pinpas kwijt was, terwijl die uiteindelijk in een jaszak hing aan de kapstok.

Els ging op vrijdag koken. Eerst bracht ze alleen eten, later bleef ze omdat Henk soms niet meer wist dat er iets in de oven stond. Marianne zat dan aan tafel en praatte aan één stuk door. Over hoe zwaar het was, wat Henk die ochtend had gedaan, hoe weinig haar zus hielp. Daar had ze ook wel een punt mee. Haar zus woont in Drenthe en kwam hooguit één keer per maand, met een bos bloemen en een tas van de bakker. Daarna ging ze na twee uur weer weg.

Wij wonen twaalf minuten fietsen van Henk en Marianne. Dat is blijkbaar dichtbij genoeg om vanzelfsprekend te worden.

Het kantelde op een zaterdag in november. Els en ik zouden een nachtje naar Breda gaan. Gewoon even weg. We hadden een hotelletje geboekt, niet duur, via een aanbieding die Els maanden eerder had gevonden. De kinderen zouden lachen als ze dit wisten, maar wij hadden er echt zin in. Museum, ergens eten zonder op de prijs van elk glas wijn te letten, uitslapen.

Vrijdagavond belde Marianne.

Henk had die middag geprobeerd naar de supermarkt te lopen en was op een rotonde terechtgekomen waar hij niet meer wist welke kant hij op moest. Een buurman had hem thuisgebracht. Marianne klonk kapot. Ze zei dat ze al dagen nauwelijks sliep.

Toen kwam het: of Els en ik dat weekend bij hen konden zijn. Niet de hele tijd misschien, maar wel zaterdag en zondag. Zodat zij even kon bijkomen.

Ik zei dat we weg zouden gaan.

Het bleef een paar seconden stil. Ik hoorde de televisie op de achtergrond. Waarschijnlijk stond het journaal aan, Henk keek dat vroeger altijd.

‘Maar jullie kunnen toch volgende week naar Breda?’ zei ze uiteindelijk. ‘Dit kun je toch niet plannen?’

Ik keek naar Els. Zij had alles gehoord aan mijn kant van het gesprek. Ze kneep haar lippen op elkaar.

Ik zei dat ik terug zou bellen. Daarna kregen Els en ik voor het eerst echt ruzie over Henk en Marianne. Niet schreeuwen, zo zijn we allebei niet, maar dat stille, harde soort ruzie waarin alles wat je zegt meteen verkeerd valt.

Els vond dat we moesten gaan. Ze zei dat Marianne het anders nooit zou regelen. Ik vond het afschuwelijk om een vriendin van bijna veertig jaar in paniek te laten zitten. Els zei: ‘Ik wil haar niet laten zitten. Ik wil alleen niet dat wij haar plan worden.’

Dat zinnetje bleef hangen.

We zijn uiteindelijk niet naar Breda gegaan. Ik heb het hotel afgezegd, te laat voor geld terug. Zaterdagmorgen om negen uur zaten we bij Henk en Marianne aan de keukentafel. Marianne ging boven slapen. Ze zei dat ze maar twee uurtjes nodig had.

Ze kwam na bijna vijf uur beneden, fris gedoucht, met haar haar geföhnd. Henk had in die tijd drie keer gevraagd waar Marianne was en één keer of zijn moeder nog leefde. Zijn moeder is in 2004 overleden. Ik zag aan Els dat het haar raakte. Mij ook, al deed ik alsof ik vooral bezig was met koffiezetten.

Die zondag gebeurde hetzelfde. Daarna steeds vaker.

Marianne wilde geen thuiszorg. Ze zei dat er dan vreemde mensen door haar huis kwamen lopen en dat Henk daar onrustig van werd. De casemanager dementie had volgens haar van alles voorgesteld, dagbesteding ook, maar Marianne vond hem daar nog niet aan toe. Soms zei ze dat ze het zelf wel kon. Een uur later zei ze dat ze het niet meer trok.

Als wij voorzichtig begonnen over hulp, werd ze snel scherp.

‘Dus jullie vinden hem een last geworden?’ zei ze een keer.

Els antwoordde dat niemand dat zei. Dat het juist ging om Henk én om Marianne. Maar Marianne schudde haar hoofd.

‘Echte vrienden zijn er toch juist als het moeilijk wordt. Anders heb je alleen maar mensen voor de barbecue en de vakantie.’

Ik wist niets terug te zeggen. Omdat ik begreep wat ze bedoelde. Omdat Henk voor mij ook geen willekeurige buurman was. En misschien ook omdat een deel van mij bang was dat zij gelijk had.

Tegelijkertijd begon ons eigen leven kleiner te worden. Els zei afspraken met haar wandelgroep af, omdat Marianne op vrijdag belde met de vraag of ze “heel even” kon komen. Ik nam mijn telefoon niet mee als ik aan het klussen was, wat ik vroeger nooit deed. Als het toestel dan later trilde met een gemiste oproep, voelde ik eerst opluchting en daarna schaamte.

Met kerst kwam onze dochter met haar gezin eten. Marianne had twee dagen eerder gevraagd of we tweede kerstdag bij haar konden zijn, omdat Henk dan vaak onrustig was. Els zei nee. Gewoon nee, zonder uitleg. Ik vond dat ze het te kort zei, en we hadden er die avond weer gedoe over.

Maar op eerste kerstdag, toen onze kleinzoon van vier onder de tafel zat omdat hij verstoppertje wilde spelen, dacht ik ineens dat Els gelijk had. Niet omdat Henk en Marianne minder belangrijk waren. Juist omdat ik merkte hoeveel ik aan het missen was terwijl ik lichamelijk gewoon ergens aanwezig was.

In januari hebben we met Marianne aan tafel gezeten. Niet feestelijk, niet dramatisch. Ik had van tevoren zelfs wat punten op een papiertje gezet, alsof het een vergadering van de VvE was. Dat vond ik vreselijk van mezelf.

We hebben gezegd dat we op dinsdagmiddag blijven helpen met de administratie en dat Els eens per twee weken kookt. Geen weekenden meer, behalve als er echt iets acuut is. En als Marianne een paar uur rust nodig heeft, moet ze contact opnemen met de casemanager om te kijken wat er mogelijk is.

Ze huilde niet. Dat had ik bijna makkelijker gevonden. Ze werd heel stil en zei alleen: ‘Ik had echt gedacht dat ik op jullie kon rekenen.’

Ik zei dat ze op ons kan rekenen. Maar terwijl ik het zei, hoorde ik hoe leeg het klonk.

Sindsdien belt ze minder vaak. Misschien doordat er nu iemand van de thuiszorg komt op maandag en donderdag. Misschien omdat ze boos is. Henk groet me nog steeds alsof er niets aan de hand is, maar soms noemt hij me Jan. Dan corrigeert Marianne hem niet meer.

Volgende maand zouden we eigenlijk met z’n vieren een week naar Texel gaan. Het huisje is nog niet geannuleerd. In onze groepsapp staat alleen een oude foto van Henk met een regenjas aan op het strand. Niemand heeft er in weken iets bij gezet.

Vanmiddag is het dinsdag. Ik ga straks weer naar hen toe, met die blauwe map onder mijn arm. Ik weet niet of dat goed voelt. Maar ik ga wel.