Mijn zoon zegt dat ik mijn man niet meer alleen kan verzorgen, maar voor mij voelt hulp toelaten alsof ik hem in de steek laat
De blauwe sticker van de wijkverpleging ligt nu al drie weken op mijn keukentafel. Er staat een telefoonnummer op en iets over een vrijblijvend gesprek. Ik schuif hem telkens opzij als ik aardappels schil, de post sorteer of de medicijnen van Kees klaarzet. Niet omdat ik niet kan bellen. Juist omdat ik weet dat ik dan iets in gang zet wat ik misschien niet meer terug kan draaien.
Kees en ik zijn 63 en 65. We hebben allebei ons hele leven gewerkt. Hij bij een installatiebedrijf, ik jarenlang in de administratie van een groothandel in Amersfoort. We wonen al zesendertig jaar in hetzelfde rijtjeshuis, met de oude schuur achterin waar hij vroeger aan fietsen van de kinderen sleutelde. Het idee was simpel: nog een paar mooie jaren werken, stoppen, met de caravan naar Drenthe of misschien een keer naar Frankrijk, oppassen op de kleinkinderen als Maarten en Lotte een avond weg wilden.
De caravan hebben we vorig voorjaar verkocht. Kees wist niet meer hoe de mover werkte en werd daar zo boos van dat hij er met zijn vuist op sloeg. Dat was niets voor hem. Hij heeft hem daarna nog twee keer op Marktplaats gezet, hoewel hij al verkocht was.
In het begin noemde ik het verstrooidheid. Iedereen vergeet weleens iets, zeker als je net met pensioen bent en de dagen minder strak zijn. Maar Kees liet de kraan lopen. Hij vergat dat hij de oven had aangezet. Hij ging naar de supermarkt voor melk en kwam anderhalf uur later thuis met kattenbrokjes, terwijl we geen kat hebben. Hij kon daar zelf soms ook om lachen, tot hij merkte dat ik niet meelachte.
De huisarts verwees ons door naar de geheugenpoli. Daarna kwamen er gesprekken, testen, een MRI. Uiteindelijk zei de geriater: een beginnende vorm van Alzheimer, nog niet heel ver, maar wel duidelijk genoeg.
Kees keek toen vooral naar zijn handen. Ik weet nog dat er een pluisje op zijn donkerblauwe trui zat. Ik wilde het eraf halen, maar deed het niet. Zoiets raars onthoud je dan.
Thuis zei hij: “Nou, dan moet jij me maar een beetje bijhouden.”
Alsof het ging om een afspraak bij de tandarts die hij anders zou missen.
Ik zei dat dat natuurlijk zou gebeuren. We zijn bijna veertig jaar getrouwd. Hij heeft mij ook opgevangen toen ik na mijn operatie aan mijn knie maanden nauwelijks de trap op kon. Hij heeft nachten naast mijn bed gezeten toen ik borstkanker had, al was het gelukkig vroeg ontdekt. Voor mij was er geen discussie. Kees hoorde bij mij. Punt.
En eerlijk: lange tijd ging het ook. Ik maakte lijstjes, plakte briefjes op de voordeur, legde zijn sleutels op één vaste plek. Ik nam zijn bankzaken over nadat hij twee keer dezelfde rekening had betaald. Ik ging mee naar afspraken en zei tegen vrienden dat we liever ’s middags koffie dronken dan ’s avonds uit eten gingen. Kees werd in gezelschap sneller moe en dan begon hij verhalen door elkaar te halen.
Iedereen zei dat ik het goed deed. Daar ben ik misschien ook wel te veel in gaan geloven.
Onze zoon Maarten woont met zijn vrouw Lotte en hun kinderen, Mees van zes en Noor van drie, in Nieuwegein. Hij werkt veel, iets met projectmanagement waar ik de helft niet van begrijp. Toch kwam hij bijna elke zondag. Eerst gezellig, later keek hij steeds meer rond. Of het gas uit was. Of er eten in de koelkast lag. Hij vroeg of ik wel sliep.
“Prima,” zei ik dan.
Dat was niet helemaal waar. Kees werd soms om vier uur wakker omdat hij dacht dat hij naar zijn werk moest. Dan stond hij aangekleed in de gang met zijn oude bedrijfspas in zijn hand. Ik kreeg hem meestal weer naar bed, maar daarna lag ik zelf wakker, bang dat ik hem niet zou horen als ik eindelijk in slaap viel.
Maarten merkte het natuurlijk. Hij is mijn zoon. Hij kent me beter dan ik soms prettig vind.
Een paar maanden geleden zei hij dat er thuiszorg mogelijk was. Niet meteen elke dag iemand over de vloer, benadrukte hij. Eerst iemand van de wijkverpleging die met ons mee kon kijken. Misschien dagbesteding voor Kees, een paar uur per week. Een ergotherapeut voor hulpmiddelen in huis. Een slot op de meterkast, een kookplaatbeveiliging. Gewoon zodat ik niet alles alleen hoefde te onthouden.
Ik voelde meteen weerstand. Niet eens tegen die vrouw van de thuiszorg persoonlijk, ik kende haar niet. Maar tegen het hele idee dat een vreemde in mijn badkamer zou kijken of Kees zijn steunkousen goed aanhad. Dat iemand hem misschien zou aanspreken alsof hij een kind was. En dat ik dan in de woonkamer zou zitten met een kop thee, zogenaamd vrij.
“Je doet alsof ik hem niet aankan,” zei ik tegen Maarten.
Hij zuchtte en keek naar de grond. “Mam, ik zeg juist dat je dit niet hóéft aan te kunnen in je eentje.”
Maar ik hoorde alleen dat eerste.
We kregen er die middag ruzie over waar Lotte en de kinderen bij waren. Mees zat aan tafel een boterham met hagelslag te eten en keek steeds naar ons. Daar schaam ik me nog steeds voor. Kees was in de schuur en heeft waarschijnlijk weinig meegekregen.
Ik zei dat Maarten makkelijk praten had met zijn drukke baan en zijn hulp van de opvang. Hij werd rood en zei dat hij best meer wilde doen, maar dat ik hem ook nooit iets liet doen. Dat klopt trouwens. Als hij aanbiedt de administratie door te nemen, zeg ik dat het al geregeld is. Als Lotte vraagt of ik met de kinderen naar de speeltuin wil, zeg ik vaak af omdat Kees niet alleen wil blijven. Daarna ben ik verdrietig als Noor bij binnenkomst eerst even moet nadenken wie ik ben.
Vorige week ging het mis.
Ik was boven de was aan het opvouwen. Kees had gezegd dat hij een tosti wilde maken. Ik riep nog dat ik het zo zou doen, maar hij zei: “Dat kan ik zelf heus wel.” En dat kan hij soms ook. Ik wil hem niet alles afpakken.
Toen ik beneden kwam, rook ik iets vreemds. Niet meteen rook, meer een scherpe, warme lucht. Kees stond bij het aanrecht met een pan op het vuur. In die pan lag een plastic broodzak. Hij had de tosti-ijzers niet kunnen vinden en dacht blijkbaar dat hij het brood in de pan moest doen. De vlam stond hoog. Het plastic was aan de randen al zwart en een gordijntje hing gevaarlijk dichtbij.
Ik heb de pan met een ovenwant van het vuur getrokken en het gas uitgezet. Daarna begon ik zo te trillen dat ik de kraan niet meer dicht kreeg. Kees bleef maar zeggen dat hij honger had. Toen hij zag dat ik huilde, werd hij boos.
“Je doet alsof ik gek ben,” zei hij.
Dat kwam harder aan dan de rook.
Ik heb Maarten gebeld. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik ineens niet wist wat ik anders moest doen. Hij kwam die avond nog, zonder kinderen. Hij keek naar de zwarte pan in de gootsteen, naar het open raam, naar mij. Ik had nog steeds mijn vest aan terwijl het warm was in huis.
Hij zei dat er nu hulp moest komen. Deze week. Anders zou hij zelf contact opnemen met de huisarts en de casemanager dementie, die we na de diagnose toegewezen hadden gekregen maar die ik eigenlijk steeds had afgewimpeld.
“Dat beslis jij niet,” zei ik.
“Nee,” zei hij. “Maar ik ga ook niet wachten tot jij of pap in het ziekenhuis ligt.”
Dat voelde als een ultimatum. Misschien was het dat ook. Ik werd woedend en zei dat hij zijn vader wilde wegstoppen omdat het hem niet uitkwam. Dat was laag. Ik zag het meteen aan zijn gezicht. Hij zei een tijd niets, pakte toen zijn jas en vroeg alleen of ik de deur op slot wilde doen nadat hij weg was.
De volgende ochtend belde hij alsnog. Hij bood geen groot excuus aan en ik ook niet. Hij zei dat Lotte een gesprek met de casemanager had gevonden waar ik bij kon zitten, zonder dat er direct iets geregeld werd. Alleen praten.
Ik heb ja gezegd, maar ik heb daarna een uur in de keuken gezeten alsof ik iets verschrikkelijks had toegegeven.
Morgen komt er iemand langs. Kees weet dat er een mevrouw komt ‘om mee te denken over hoe het thuis makkelijker kan’. Dat zijn Maartens woorden. Kees vond het prima, zolang zij maar niet aan zijn gereedschapskist komt.
Ik weet niet of ik thuiszorg wil. Ik weet zelfs niet of ik het woord al kan verdragen. Maar ik heb wel de pan weggegooid. En vanmiddag heb ik, zonder dat ik het Kees vertelde, de knop van het gas afgesloten met zo’n kinderbeveiliging die Maarten had meegenomen.
Daarna ben ik een halfuur met Noor naar de eendjes geweest. Kees zat bij Maarten op de bank en keek oude voetbalbeelden. Toen ik thuiskwam, vroeg hij waarom ik zo laat was.
Ik zei: “Ik was even weg.”
Hij knikte alleen en vroeg of we nog koffie hadden.