Mijn beste vriend betaalde de boot, maar na twee jaar voelde ik me zijn onbetaalde havenmeester

Vorige maand stond ik op zaterdagochtend om half negen met mijn knieën op het achterdek, een kitspuit in mijn hand en een regenjas die al bij de schouders doorlekt. Geert zou die middag met zijn dochter en twee kleinkinderen komen. Hij had vrijdagavond een appje gestuurd: of ik vóór twaalf uur nog even kon zorgen dat de antislipstroken op het dek erop zaten. “Dan is het veilig voor de kinderen. Jij kunt dat gelukkig netjes.”

Dat woordje gelukkig bleef de hele nacht in mijn hoofd zitten.

Ik ben Henk, 62, sinds twee jaar met pensioen. Ik heb altijd in het onderhoud gezeten, eerst bij een installatiebedrijf en later als conciërge bij een middelbare school in Alkmaar. Ik ben niet rijk geworden van werken, maar ik kan wel veel zelf. Een lekkende kraan, een vastzittend slot, elektra waar niemand meer uitkomt: ik vind het meestal wel uit.

Geert en ik kennen elkaar sinds onze diensttijd. We hebben allebei een paar huwelijken, verbouwingen, ontslagen en goede jaren meegemaakt. Niet dat we alles samen deden. Hij is meer van de plannen, de goede wijn en meteen het beste willen kopen. Ik kijk eerst drie keer op Marktplaats en vraag me daarna nog af of het echt nodig is. Maar zeilen deden we al jaren. Eerst met gehuurde valkjes, later af en toe een weekend mee met kennissen.

Toen ik stopte met werken, kwam Geert met het idee van een eigen boot. Een tweedehands kajuitzeilboot, niet nieuw, maar degelijk. Ligplaats in een kleine haven bij Grou. Hij had zijn pensioen goed geregeld vanuit zijn baan bij de bank en zijn huis was bijna afbetaald. Ik woon alleen in een huurappartement en moet gewoon opletten. Mijn oudste dochter zegt weleens dat ik iedere uitgave boven de vijftig euro behandel alsof ik een hypotheek teken. Daar zit iets in.

Geert zei: “Ik leg het grootste deel in. Jij hebt straks de tijd en jij bent handig. Dan hebben we er allebei wat aan.”

Dat klonk toen redelijk. Eigenlijk klonk het beter dan redelijk. Ik voelde me weer ergens voor nodig. Niet alleen maar een man die op dinsdagmiddag naar de bouwmarkt gaat omdat het kan. We kochten een Jeanneau uit 1998. Wit met een blauwe streep, wat gebruikssporen, maar een fijne boot. Geert betaalde ruim driekwart van de aanschaf. Ik betaalde wat ik kon en zou het onderhoud doen: poetsen, kleine reparaties, winterklaar maken, contact met de havenmeester, dat soort dingen.

We hebben dat nergens opgeschreven. Dat is misschien dom geweest. Veertig jaar vriendschap, dan ga je niet met een contract aan tafel zitten. We dronken koffie in de kuip en maakten grappen dat we nu eindelijk mannen met een boot waren.

Het eerste jaar was echt leuk. Ik vond het niet erg om erheen te rijden. Anderhalf uur heen, anderhalf uur terug, soms met file bij de Afsluitdijk. Ik maakte de watertank schoon, verving een pompje, schuurde een stuk houtwerk dat lelijk was geworden. Geert kwam vooral in weekenden. Dan nam hij broodjes mee van een goede bakker uit zijn buurt en zei hij tegen iedereen in de haven dat ik goud waard was.

Alleen begon ‘goud waard’ steeds vaker te betekenen dat ik iets moest oplossen.

Als er na een harde wind wat water in de bilge stond, kreeg ik een foto. Als de walstroom eruit lag, belde hij mij, ook als ik op een verjaardag zat. Als hij op vrijdagavond aankwam en er zat vogelpoep op de buiskap, zei hij lachend: “Nou, Henk, jij bent zeker een week niet geweest?”

Hij bedoelde het vaak als grap, denk ik. Maar op een gegeven moment ging ik mezelf ook zo gedragen. Ik reed er op woensdag naartoe omdat ik wist dat hij vrijdag zou komen. Ik nam mijn eigen gereedschap mee. Ik betaalde kleine dingen soms zelf, omdat ik geen gedoe wilde over een pak schuurpapier of een bus ontvetter.

Mijn rug werd ondertussen niet beter. Ik heb al jaren last van mijn onderrug, niks dramatisch, maar uren gebukt op zo’n dek voel je de volgende dag wel. En ik merkte dat ik thuis dingen liet liggen. Mijn balkon moest geschilderd worden. Ik wilde een paar dagen met mijn zus naar Drenthe. Maar er was altijd wel iets met die boot.

Geert zag vooral dat hij het geld had ingelegd en dat ik er ook volop van meeprofiteerde. En dat deed ik natuurlijk ook. Ik had nooit zelf zo’n boot kunnen betalen. Daar ben ik niet blind voor. Alleen: ik dacht dat we samen eigenaren waren. Hij leek steeds meer te denken dat hij eigenaar was en ik de man die het draaiende hield.

Die zaterdag met die antislipstroken was voor mij de druppel. Niet eens door die stroken zelf. Het was geen ingewikkelde klus, maar het dek moest droog zijn, alles moest goed ontvet worden en ik had die week al twee keer in Friesland gezeten omdat de koelkast niet goed koelde. Bovendien had ik eindelijk afgesproken om met mijn dochter en haar vriend te lunchen. Zij wonen in Hoorn en ik zie ze niet zo vaak als ik zou willen.

Ik belde Geert en zei dat ik het niet ging redden vóór twaalf uur.

Hij viel even stil. Toen zei hij: “Maar Henk, je bent toch met pensioen? Dit is toch juist de afspraak?”

Dat was zo’n simpele zin, maar ik voelde meteen dat ik rood werd. Ik zei iets terug in de trant van dat pensioen niet betekende dat ik stand-by stond. Hij zei dat hij ook niet voor zijn plezier zoveel geld had betaald. Ik zei dat ik geen personeelslid was.

Daarna werd het lelijker dan ik wil toegeven. Ik zei dat hij met zijn comfortabele pensioen geen idee had wat mijn tijd waard was. Dat was onnodig hard, want Geert heeft ook gewoon zijn hele leven gewerkt. Hij zei dat ik blijkbaar liever profiteerde dan verantwoordelijkheid nam. Toen heb ik opgehangen.

Ik ben toch naar de boot gereden. Niet om de stroken te plakken, maar omdat ik wist dat ik anders de hele dag thuis zou zitten malen. Ik heb zijn spullen uit een kastje gehaald dat ik voor mijn eigen gereedschap gebruikte. Niet op de steiger gezet of zo, ik ben geen kind. Gewoon in een krat. Daarna heb ik een uur in de kajuit gezeten zonder iets te doen. Het rook er naar vochtige kussens en diesel, zoals altijd na een paar dagen regen.

Geert kwam rond drie uur. Zijn dochter en de kinderen waren er niet bij. Hij liep meteen naar het dek, keek naar de ongeopende verpakking met stroken en zei niets. Daarna vroeg hij of ik nu echt alles wilde weggooien om “een paar uurtjes werk”.

Ik zei dat het niet om een paar uur ging. Dat ik sinds we die boot hebben bijna iedere week rekening houd met wanneer hij wil varen. Dat ik het onderhoud best wil blijven doen, maar niet alsof hij mij kan inplannen. En dat we moeten kijken naar geld voor grote klussen, of een werf voor dingen die ik fysiek niet meer trek.

Hij keek alsof ik hem iets heel oneerlijks voorlegde. Misschien was het voor hem ook oneerlijk. Hij heeft veel meer betaald dan ik. Maar ik heb hem ook nooit gevraagd om mij een boot cadeau te doen. Ik wilde een maat zijn, geen tegenprestatie.

We hebben uiteindelijk afgesproken dat de boot voorlopig op zijn naam blijft staan, wat feitelijk ook grotendeels al zo was. Hij gaat uitzoeken wat onderhoud via de werf kost. Ik ga niet meer standaard naar Grou zodra er iets is. Als ik tijd en zin heb, help ik. Als ik niet kan, moet hij het zelf regelen of betalen.

Sindsdien is het stil. Niet helemaal, we sturen nog appjes over de verzekering en de winterstalling. Maar geen foto’s meer van een zeiltocht, geen flauwe grappen. Afgelopen week zag ik dat hij met iemand anders had gevaren. Dat deed me meer dan ik verwachtte.

Mijn gereedschapskrat staat nog steeds in mijn gang. Ik heb hem niet teruggebracht. Misschien omdat ik hoop dat we nog eens gewoon aan boord zitten, met koffie uit van die veel te kleine mokken, zonder dat er eerst een lijst met klussen op tafel komt. Maar ik weet ook dat die boot nooit meer helemaal alleen een boot zal zijn.