Mijn man wilde onze vriendengroep jong houden, maar inmiddels durft bijna niemand meer eerlijk tegen hem te zijn
Ik wist dat er iets mis zat toen ik op een dinsdagmiddag drie appjes achter elkaar kreeg van vrouwen uit onze vriendengroep. Niet in de groepsapp, waar normaal foto’s van kleinkinderen, aanbiedingen bij de Lidl en afspraken over etentjes in staan, maar apart.
Eerst Marjan: “Els, mag ik iets geks vragen? Is Kees altijd zo fanatiek de laatste tijd?”
Toen Ingrid: “Ik wil niet zeuren, maar ik zie op tegen zaterdag.”
En daarna Anja, die normaal overal het hardst om lacht: “Als jullie die Ardennen echt doorzetten, gaan Henk en ik denk ik niet mee. Maar zeg alsjeblieft niet dat ik dat tegen jou gezegd heb.”
Ik zat met mijn thee aan de keukentafel en voelde meteen zo’n vermoeidheid opkomen die je niet in je benen hebt, maar ergens achter je ogen.
Wij zijn met z’n achten al vrienden sinds eind jaren tachtig. Kees en ik, Henk en Marjan, Rob en Ingrid, en Pieter en Anja. Eerst kwamen we bij elkaar met kleine kinderen die door de woonkamer renden. Later gingen we uit eten als er iemand vijftig werd, namen we picknickmanden mee naar het strand, deden we spelletjesavonden die altijd eindigden met te veel wijn en kaasblokjes die niemand meer wilde.
De laatste jaren hadden we een vast ritme. Elke eerste zaterdag van de maand iets doen. Soms wandelen, soms lunchen, soms een museum, soms gewoon bij iemand thuis. Niet spectaculair misschien, maar wel vertrouwd. Je hoefde niet elke keer te bewijzen dat je nog leuk, fit of interessant was.
Kees regelde dat altijd. Hij maakte de appgroep aan, reserveerde restaurants, wist welke zondag de Keukenhof niet te druk was en had zelfs een keer voor iedereen een routebeschrijving uitgeprint omdat Pieter weigerde Google Maps te gebruiken. Iedereen vond dat prettig. Kees ook, denk ik. Hij was goed in regelen.
Sinds hij vorig jaar met pensioen ging, is dat regelen alleen iets anders geworden.
Hij had het in het begin moeilijker dan hij zelf wilde toegeven. Hij werkte bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf, eerst buiten, later als werkvoorbereider. Hij miste de jongens op kantoor, hoewel hij altijd zei dat hij blij was van het gezeur af te zijn. Thuis liep hij ’s ochtends al om half acht in zijn sportkleding rond. Hij kocht een elektrische fiets waar hij vervolgens de ondersteuning bijna nooit van gebruikte, “want dan kun je net zo goed een scooter nemen”. Hij ging koud douchen. Hij luisterde podcasts over vitaal ouder worden.
Op zichzelf vond ik daar niets mis mee. Ik was eigenlijk blij dat hij niet op de bank verdween. Maar na een paar maanden begon hij over onze vriendengroep.
“Wij moeten niet van die mensen worden die alleen nog ergens gaan zitten lunchen,” zei hij eens terwijl hij een krantenartikel over spierverlies boven de zestig voorlas.
Ik zei dat ik lunchen best een onderschatte activiteit vond.
Hij lachte niet. “Nee, maar serieus. Als je stil gaat zitten, word je oud.”
Vanaf dat moment veranderden onze uitjes. Een wandeling van vijf kilometer werd een tocht van twaalf kilometer over zandpaden. Het museum in Zwolle werd een fietstocht ernaartoe en terug. Toen Marjan bij een heuvel in Limburg buiten adem was, zei Kees, volgens mij zonder kwaad te willen: “Je merkt gewoon dat we dit vaker moeten doen.”
Ik zag haar gezicht. Niet boos. Eerder dicht.
Henk heeft slechte knieën sinds een operatie, Rob heeft hartmedicatie waar hij zelf nooit veel woorden aan vuilmaakt, en Ingrid zorgt twee middagen per week voor haar moeder in het verpleeghuis. Anja kan prima wandelen, maar wil in het weekend soms gewoon niet om half negen in een parkeerplaats bij een natuurgebied staan met een rugzak op.
Dat zijn geen grote drama’s. Dat zijn gewoon levens die anders zijn geworden.
Kees zag het anders. Hij zei dat iedereen excuses zocht. Dat je elkaar juist nodig hebt om niet weg te zakken. Soms had hij daar ook een punt, daar ben ik eerlijk in. Zonder zijn initiatief waren we waarschijnlijk minder vaak bij elkaar gekomen. En als we eenmaal onderweg waren, had bijna iedereen het vaak best naar zijn zin. Alleen de weg ernaartoe werd steeds stroever.
Voor het weekend in de Ardennen had Kees een huis gevonden via een kennis van hem. Vrijstaand, sauna, zes slaapkamers, vlak bij een plek waar je kon kajakken en mountainbiken. Hij had het al bijna vastgelegd voordat hij het in de groep gooide.
“Het is wel aan de prijs,” zei ik toen hij me de offerte liet zien.
“Als we met z’n achten zijn, valt het mee. En we doen dit niet elk jaar.”
“Maar willen ze dit wel?”
Hij keek me aan alsof ik vroeg of de zon wel op zou komen. “Natuurlijk willen ze dit. Iedereen heeft het er altijd over dat we eens een weekend weg moeten.”
Dat laatste klopte, maar dan bedoelde iedereen meestal een huisje aan zee, een beetje koken, kaarten, misschien een dorpje in. Niet om zeven uur opstaan voor een survivalparcours.
Hij stuurde zijn bericht op donderdagavond. Met een hele planning erbij. Vrijdagmiddag aankomst, zaterdag ‘optioneel’ mountainbiken, maar daarna stond er wel een reservering voor een klimpark. Zondagochtend kajakken. Hij eindigde met: “Even snel reageren graag, dan kan ik boeken!”
Er kwamen eerst duimpjes. Dat maakte het erger. De beleefde soort duimpjes, die ik inmiddels herkende.
Henk schreef: “Ziet er prachtig uit. Ik moet even overleggen met Marjan.”
Rob: “Wij kijken ook even naar de agenda.”
Anja zei niets.
Die avond lag Kees al in bed met zijn telefoon naast zich. Ik bleef nog beneden. Om kwart over elf stuurde Marjan mij een spraakbericht. Ze klonk bijna schuldig.
“Els, ik vind het heel lief dat Kees dit allemaal doet, echt. Maar ik krijg er stress van. Henk redt dat mountainbiken niet en dan gaat hij zich weer groot houden. En ik wil niet degene zijn die alles verpest. Kun jij misschien een beetje peilen of er ook een rustiger programma kan?”
Het woord ‘peilen’ bleef hangen. Alsof ik de weerapp was. Alsof ik weer moest zorgen dat niemand nat werd.
Ik heb dat lang gedaan. Als Kees te direct was, maakte ik er een grapje van. Als iemand twijfelde, zei ik dat niets verplicht was. Als hij zich gepasseerd voelde omdat mensen afzegden, legde ik thuis uit dat ze het druk hadden of moe waren, zonder te zeggen dat ze hem soms gewoon te veel vonden.
Misschien had ik hem daarmee ook geholpen om niet te merken wat er gebeurde.
De volgende ochtend stond hij fluitend eieren te bakken. Hij vroeg of ik de weekboodschappen wilde doen, want hij wilde nog even bellen met de verhuurder. Hij ging er dus vanuit dat het door zou gaan.
Ik zei: “Kees, volgens mij zit niet iedereen hierop te wachten.”
Hij draaide zich om met de spatel in zijn hand. “Wie niet dan?”
Ik had mezelf voorgenomen geen namen te noemen. Toch zei ik: “Meerdere mensen. En niet alleen vanwege de agenda.”
Hij werd stil. Daarna zei hij: “Dus ze lopen via jou te klagen.”
“Ze klagen niet. Ze vinden het gewoon te veel.”
“Te veel? Een weekendje weg? We zijn nog geen tachtig, Els.”
Daar ging het mis bij mij. Niet omdat hij hard sprak. Juist omdat hij zo overtuigd klonk dat hij namens iedereen mocht bepalen wanneer iemand oud was.
Ik zei dat hij niet steeds moest doen alsof mensen die geen mountainbike willen rijden al half in het graf liggen. Dat Henk niet lui is omdat zijn knie kapot is. Dat Ingrid geen energie overhoudt omdat ze haar moeder wast en naar afspraken rijdt. Dat ik zelf soms ook liever rustig koffie drink dan drie uur achter hem aan fiets.
Hij keek me aan en zei: “Jij vindt alles al snel prima zoals het is.”
Dat deed meer pijn dan ik verwacht had. Misschien omdat er iets van waarheid in zit. Ik houd van gewoontes. Ik houd van dingen die niet steeds beter, sneller of uitdagender hoeven. Maar ik ben niet tegen leven. Ik ben alleen niet bang voor een middag waarop niets hoeft.
Ik heb gezegd dat ik niet mee zou gaan naar de Ardennen als het programma bleef zoals hij het had bedacht. Dat was geen slim, rustig gesprek. Ik huilde zelfs, waar ik een hekel aan heb. Kees zette de pan te hard op het aanrecht en zei dat hij dan wel weer de eikel was die nog iets probeert te organiseren.
Hij heeft die middag de boeking niet gedaan.
In de groepsapp schreef hij later: “Door te weinig animo gaat het Ardennenweekend niet door. Jammer, maar prima.”
Dat ‘maar prima’ was zo duidelijk niet prima dat ik mijn telefoon heb weggelegd.
Anja stuurde mij die avond een hartje. Ingrid schreef: “Goed dat er nu duidelijkheid is.” Ik voelde geen opluchting, eigenlijk. Vooral schaamte. Alsof ik iets achter Kees’ rug had gedaan, terwijl ik alleen eindelijk hardop had gezegd wat iedereen blijkbaar al voelde.
Volgende maand staat er weer een eerste zaterdag gepland. Kees heeft nog niets voorgesteld. Dat is nieuw. Gisteren vroeg hij tijdens het afwassen ineens of ik dacht dat ze hem irritant vinden.
Ik zei niet meteen nee. Dat was misschien het eerlijkste wat ik in weken tegen hem heb gedaan.
Uiteindelijk heb ik gezegd dat ze hem waarderen, maar dat regelen iets anders is dan beslissen voor iedereen. Hij knikte, maar ik weet niet of het landde. Daarna vroeg hij of we nog vaatwastabletten hadden.
We hadden er nog drie. Hij schreef ze op het boodschappenlijstje, onderaan, na koffiebonen en kattenvoer.