Mijn man neemt alles van me over omdat hij van me houdt, maar ik herken mezelf steeds minder

Sinds kort zet Karel een post-it op de badkamerdeur als hij weg moet. Daar staat dan op: ‘Marijke, ik ben om 10.30 uur bij de tandarts. Lunch staat in de koelkast. Niet koken.’

Dat laatste schrijft hij er altijd bij. Niet koken.

Ik sta soms minuten naar zo’n geel briefje te kijken. Niet omdat ik niet weet wat er staat, al gebeurt dat ook weleens. Maar omdat ik dan denk: wanneer ben ik iemand geworden aan wie haar eigen man moet uitleggen wat ze wel en niet mag doen in haar eigen keuken?

Ik ben 67, Karel is 69. We wonen al ruim dertig jaar in hetzelfde vrijstaande huis aan de rand van Deventer. Veel te groot, zeggen onze kinderen. Dat klopt ook wel. De slaapkamers boven worden nauwelijks gebruikt, behalve als onze kleinkinderen blijven slapen. De tuin is eigenlijk ook te groot. Karel maait het gras in banen alsof hij nog steeds bij de gemeente werkt, waar hij vroeger de groenvoorziening aanstuurde. Ik had altijd de rozen en de moestuin. Nu zegt hij dat de moestuin ‘te veel gedoe’ is.

Het begon niet ineens. Eerst vergat ik vooral dingen waar iedereen weleens om lacht. Een naam. Waarom ik naar boven was gelopen. Ik legde mijn bril in de koelkast, dat soort dingen. Daarna kwam die afspraak bij de pedicure die ik drie keer verplaatste, omdat ik steeds dacht dat het op een andere dag was. En vorig najaar liet ik een pannetje droogkoken.

Dat pannetje komt overal weer terug.

Het rook in huis, de bodem was zwart en Karel kwam thuis toen ik met alle ramen open in de keuken stond. Hij zei niets kwaads. Hij pakte het pannetje, zette het buiten en sloeg een arm om me heen. Ik huilde toen al, voordat hij iets kon zeggen.

Een maand later stond het gas nog aan onder een lege pan. Toen heeft hij een gasfornuisbeveiliger laten plaatsen. Daar was ik eigenlijk zelfs blij mee. Ik zei nog: ‘Handig, dan hoef jij ook niet zo te schrikken.’

Maar daarna ging het harder dan ik doorhad.

Karel nam de bankzaken over, eerst alleen ‘even samen’. Hij maakte een map voor de post. Hij belde mijn zus Ans terug als zij mij niet te pakken kreeg. Hij zei afspraken voor mij af omdat ik volgens hem te moe was. Bij de kapper had hij mijn vaste afspraak verzet naar een tijd waarop hij me kon brengen.

Op een gegeven moment wist ik niet meer wat ik die week zelf had afgesproken en wat hij voor mij had ingevuld.

Als ik daar iets van zei, keek hij me aan alsof ik hem pijn deed.

‘Ik probeer het juist makkelijker voor je te maken, Rijkje.’ Zo noemt hij me alleen als hij bezorgd is. ‘Je raakt zo overstuur als iets niet lukt.’

En dat is waar. Ik raak sneller overstuur. Vooral als ik merk dat ik iets kwijt ben in mijn hoofd. Het is alsof je in een vertrouwde supermarkt staat en ineens niet meer weet waar de uitgang is. Iedereen loopt gewoon door met zijn mandje, en jij probeert te doen alsof je alleen maar rustig rondkijkt.

De geheugenpoli noemt het milde cognitieve stoornissen. Er wordt verder onderzoek gedaan. Soms zeg ik zelf: beginnende dementie, omdat dat tenminste duidelijk klinkt. Maar de arts heeft dat nog niet zo gezegd. Karel doet soms alsof het onderscheid er niet toe doet. Voor mij doet het dat wel. Misschien kinderachtig, maar ik wil niet dat er al een eindstation van me wordt gemaakt terwijl ik er nog niet ben.

In januari zag ik in de bibliotheek een foldertje van de Volksuniversiteit. ‘Schrijven over uw leven’, zes dinsdagmiddagen. Geen moeilijke cursus, gewoon herinneringen opschrijven, foto’s meenemen, met anderen praten. Ik heb vroeger bij een verzekeringskantoor gewerkt en was nooit iemand die dagboeken bijhield. Maar de laatste tijd ben ik bang dat dingen verdwijnen voordat ik ze heb kunnen vasthouden.

De folder heb ik in mijn tas gestopt. Dagenlang heb ik hem steeds op een andere plek gelegd: onder een stapel servetten, in een kookboek dat ik toch niet meer gebruikte, uiteindelijk in de la van mijn oude naaikastje.

Ik wist precies wat Karel zou zeggen.

Toch vertelde ik het hem op zondagmiddag. Hij was sperziebonen aan het afhalen aan de keukentafel. Hij doet dat slordiger dan ik, met veel te lange draadjes eraan, maar dat heb ik maar niet gezegd.

‘Ik wil die cursus doen in de bibliotheek,’ zei ik.

Hij keek niet meteen op. ‘Welke cursus?’

Ik legde het foldertje naast zijn schaal.

Hij las het en zuchtte heel zacht. Niet boos. Eerder moe.

‘Marijke, dat is in het centrum. Op dinsdag. Je weet toch nog hoe het ging toen je in november naar de markt wilde?’

In november was ik met de fiets vertrokken en aan de verkeerde kant van het station uitgekomen. Ik schaamde me nog steeds dat ik mijn dochter Ilse had gebeld terwijl ik letterlijk huilend naast een fietsenstalling stond. Ilse kwam me ophalen. Karel zei die avond niets, wat erger was dan wanneer hij boos was geworden.

‘Ik kan met de bus,’ zei ik.

‘Je mist soms je halte.’

‘Dan vraag ik het.’

‘Aan wie dan? Je stapt toch niet zomaar bij iedereen in de buurt op af?’

Dat vond ik gemeen, al bedoelde hij het waarschijnlijk niet zo. Ik werd zo kwaad dat ik zei: ‘Je doet alsof ik al dood ben, alleen nog niet begraven.’

Hij werd heel stil. Daarna zei hij: ‘Ik doe alsof ik niet nog een keer wil thuiskomen en jou niet kan vinden.’

Daar kon ik niets tegenin brengen. Want ik zag zijn gezicht weer toen hij me bij het station vond. Niet boos. Wit. Oud ineens.

We hebben die avond bijna niet gesproken. Hij keek voetbal, ik zat op de bank met mijn breiwerk zonder een steek te maken. Voor het slapengaan vroeg hij of ik mijn medicatie had ingenomen. Ik zei ja, terwijl ik niet meer wist of dat zo was. Toen pakte hij het doosje, telde de vakjes en zei: ‘Gelukkig.’

De volgende ochtend heb ik me toch ingeschreven.

Niet heel heldhaftig. Ik heb het formulier drie keer ingevuld omdat ik mijn e-mailadres verkeerd schreef. Uiteindelijk belde ik de Volksuniversiteit. Een vrouw die Nienke heette, zei rustig dat zij me gewoon op de lijst zou zetten en dat ik bij de eerste bijeenkomst contant kon betalen als online betalen lastig was.

Ik vertelde haar niet dat ik het voor mijn man verborgen hield. Daar schaamde ik me voor. Alsof ik een kind was dat stiekem snoep had gekocht.

Dinsdag heb ik gewacht tot Karel naar de fysio was. Ik had mijn ov-chipkaart, mijn telefoon met een papiertje eromheen waarop het adres stond, en twintig euro in mijn portemonnee. Ik was misselijk van de spanning. Niet alleen omdat ik bang was om verkeerd te lopen. Ook omdat ik wist dat Karel zou merken dat ik weg was.

Bij de bushalte stond een vrouw met een rode regenjas. Ik vroeg haar of bus 4 langs de bibliotheek ging. Ze zei ja en vroeg of ik daar moest zijn voor de schrijfgroep. Blijkbaar stond het op mijn gezicht geschreven, of misschien had zij ook een folder gezien.

In de zaal zaten negen mensen. Een weduwnaar die vroeger op zee had gezeten, twee zussen uit Bathmen, een vrouw die net als ik steeds zoekender sprak. De docent vroeg ons om een plek uit onze jeugd te beschrijven.

Ik schreef over de bijkeuken van mijn ouderlijk huis. Over de emaillen teil, de geur van natte jassen en mijn moeder die altijd riep dat we de deur dicht moesten doen omdat we anders ‘voor de mussen stookten’. Ik wist ineens weer dat er een scheur in de blauwe vloertegels zat. Dat mijn broer daar ooit met zijn teen in was blijven haken.

Ik had die herinnering niet opgeroepen. Hij kwam gewoon.

Toen ik thuiskwam, stond Karels auto op de oprit. Hij zat aan de keukentafel met mijn telefoon in zijn hand. Ik had hem niet gehoord; hij had me vier keer gebeld.

‘Waar was je?’ vroeg hij.

Ik zei: ‘Bij een cursus.’

Zijn gezicht trok dicht. Hij zei dat hij zich doodongerust had gemaakt, dat hij eerder van de fysio was weggegaan, dat hij zelfs Ilse al had willen bellen. Ik zei dat ik veilig thuis was, dat er niets gebeurd was, dat ik niet van porselein ben.

‘Nee,’ zei hij. ‘Maar je vergeet soms dat je op het vuur iets hebt staan. Dat is het punt.’

Ik wilde terugschreeuwen dat een fornuis en een bus niet hetzelfde zijn. In plaats daarvan ging ik zitten en begon ik te huilen. Niet mooi, niet beheerst. Gewoon met mijn handen voor mijn gezicht, terwijl hij daar tegenover me zat en niet wist of hij me moest vasthouden of met rust laten.

Vanavond is de tweede bijeenkomst. Karel heeft nog niet gezegd dat ik niet mag gaan. Hij heeft ook niet gezegd dat hij me brengt.

Mijn tas staat al klaar bij de voordeur. Op het aanrecht ligt een nieuw post-itbriefje. Er staat alleen op: ‘Ik ben om 16.00 uur thuis.’

Geen ‘niet koken’ dit keer.

Ik weet niet of dat betekent dat hij iets begrijpt, of dat hij verwacht dat ik op hem wacht.