Mijn man wil onze zoon €35.000 lenen, maar ik ben bang dat we daarmee onze eigen oude dag op het spel zetten

Ik heb de map met onze spaargelden de afgelopen weken vaker uit de kast gehaald dan in de twintig jaar daarvoor bij elkaar.

Het is gewoon zo’n grijze ordner van de Rabobank, met oude overzichten die ik eigenlijk weg zou moeten gooien. Henk bewaart alles. Pensioenbrieven, de aflossing van de hypotheek, verzekeringen, zelfs de offerte van de dakkapel uit 2007 zit er nog in. Ik ben daar altijd een beetje lacherig over geweest. Nu zit ik ’s avonds aan de eettafel met die papieren voor me, een kop thee die koud wordt, en tel ik in mijn hoofd hoeveel jaar we nog vooruit moeten.

Ik ben 64, Henk is 66. Hij heeft vanaf zijn zestiende in de installatietechniek gewerkt, eerst op de bouw en later als uitvoerder. Ik heb jarenlang in de thuiszorg gewerkt, drie ochtenden per week toen de kinderen klein waren en later bijna fulltime. We hebben geen enorme pot goud, maar we hebben het goed. De hypotheek is afgelost. We kunnen met de caravan een paar weken naar Frankrijk als we willen. Als de wasmachine kapotgaat, hoeven we niet meteen in paniek te raken.

Dat gevoel van rust heeft lang geduurd om op te bouwen.

Onze zoon, Tim, is 34. Hij is niet lui, dat wil ik echt vooropstellen. Mensen die hem niet kennen, zeggen al snel: “Hij moet gewoon eens zijn schouders eronder zetten.” Alsof het zo simpel is. Tim kan heel enthousiast zijn, heel overtuigend ook. Hij heeft goede ideeën, kan prachtig met mensen omgaan en hij werkt hard als hij ergens in gelooft. Alleen lijkt hij telkens na een tijdje vast te lopen.

Hij heeft een mbo-opleiding niet afgemaakt omdat hij zich verveelde. Daarna heeft hij in een fietsenwinkel gewerkt, bij een telecombedrijf, een tijdje als bezorger en vorig jaar nog bij een keukenboer. Overal ging het eerst goed. Dan kwam er gedoe met een leidinggevende, of hij kreeg geen vast contract, of hij begon over iets voor zichzelf. Soms had hij ook gewoon gelijk, hoor. Bij die keukenboer werden mensen echt beroerd behandeld. Maar uiteindelijk stond hij steeds weer met een tas vol spullen bij ons in de gang en zei hij dat het “even tegenzat”.

Nu wil hij een mobiele koffiebar beginnen. Geen hippe zaak met een duur pand, zegt hij. Een goede espressomachine in een aanhanger, koffie op markten, bij bedrijven, op bruiloften en sporttoernooien. Hij heeft een naam bedacht, een logo laten maken door een vriend en een heel document met berekeningen op zijn laptop.

Hij vroeg ons om 35.000 euro.

Toen hij het bedrag noemde, zei ik eerst niets. Ik weet nog dat ik naar zijn handen keek. Hij zat aan onze eettafel, dezelfde tafel waaraan hij vroeger zijn huiswerk zat te ontwijken. Henk had net koffie ingeschonken en Tim zei nog: “Ik weet dat het veel is, mam.”

Henk vroeg meteen naar de vergunningen, de kosten van de aanhanger en hoeveel omzet Tim dacht te draaien. Niet streng, meer geïnteresseerd. Mannen onder elkaar bijna. Tim had overal een antwoord op. Hij had een tweedehands aanhanger op het oog, nog niet gekocht. Hij zei dat hij misschien via een kennis een vaste plek kon krijgen bij een bedrijventerrein in Deventer.

Ik vroeg wat er gebeurde als die vaste plek niet doorging.

Hij zuchtte meteen. Niet hard, maar wel zo dat ik me al de zeurende moeder voelde.

“Dan zoek ik iets anders. Mam, ik vraag niet om geld om op vakantie te gaan.”

Dat weet ik ook wel. Juist daarom vind ik het zo moeilijk.

Later, toen hij weg was, zei Henk: “Misschien is dit eindelijk iets wat bij hem past.”

Ik zei: “Dat heb je bij die webwinkel met telefoonhoesjes ook gezegd.”

“Dat was heel wat anders.”

“En die scooterverhuur dan?”

Daar werd Henk kwaad om. Niet echt schreeuwen, maar dat korte, geïrriteerde: “Je kunt ook alles uit het verleden blijven oprakelen.”

Misschien doe ik dat ook. Ik weet dat ik Tim soms bekijk alsof hij nog steeds die jongen is die op zondagavond zei dat zijn verslag bijna af was, terwijl hij nog geen letter had geschreven. Maar het verleden is er wel. Voor die scooterverhuur hebben we 4.000 euro voorgeschoten. Hij zou het in een jaar terugbetalen. Uiteindelijk hebben we nog geen 600 euro teruggekregen. Toen hij uit zijn appartement moest omdat hij een betalingsachterstand had, hebben wij de borg en de verhuisbus betaald. Hij heeft een tijd bij ons gewoond. Vier maanden zouden het worden. Het werden elf maanden.

En ik schaam me dat ik dit opschrijf, maar ik wil niet nog een keer wakker liggen omdat ik beneden de televisie hoor tot half drie. Ik wil niet weer om zijn sokken heen moeten stofzuigen in de logeerkamer. Ik wil niet steeds voorzichtig moeten vragen of hij al naar een woning reageert, terwijl hij doet alsof ik hem weg wil hebben.

Vorige zondag kwam het er allemaal uit. Niet rustig, helaas.

Tim zei dat de verhuurder van zijn huidige studio het contract niet verlengt. Hij moet er eind april uit. Hij had wel gereageerd op huurwoningen, zei hij, maar met zijn tijdelijke inkomen en die inkomenseisen komt hij nergens tussen. De koffiebar was volgens hem juist de oplossing. Als hij die lening kreeg, kon hij starten én zou hij op termijn weer iets kunnen huren.

“En als jullie het niet doen, wat dan?” vroeg Henk.

Tim keek naar zijn bord. Ik had stamppot boerenkool gemaakt, veel te veel zoals altijd.

“Dan moet ik waarschijnlijk hier weer even zitten.”

Hij zei het voorzichtig, maar het kwam bij mij binnen als een dreigement. Dat is misschien niet eerlijk. Hij heeft geen plek om naartoe, dat weet ik. Zijn vader woont in Spanje en doet alsof hij elke maand krap zit, terwijl hij wel foto’s stuurt vanaf terrassen. Tim heeft geen partner bij wie hij terechtkan. Zijn vrienden wonen inmiddels samen, hebben kinderen, een reservekamer die eigenlijk een werkkamer is.

Maar ik voelde mijn borst helemaal strak worden.

Ik zei: “Tim, wij zijn niet jouw vangnet voor alles.”

Hij keek me aan alsof ik hem geslagen had.

Henk zei meteen: “Je moeder bedoelt dat niet zo.”

Maar zo bedoelde ik het deels wel. Alleen klonk het harder dan het in mijn hoofd had geklonken.

Tim vertrok zonder koffie na. Henk heeft die avond nauwelijks tegen me gepraat. De volgende ochtend stond hij in de schuur te rommelen terwijl het regende. Hij doet dat als hij niet weet wat hij moet zeggen.

We hebben inmiddels met een financieel adviseur gesproken, gewoon om te weten wat verstandig is. Die man zei niet dat we het niet moesten doen. Hij zei vooral dat we eerst moesten bepalen welk bedrag we eventueel konden missen zonder ervan uit te gaan dat het terugkomt. Dat vond ik naar om te horen, maar ook eerlijk.

Henk wil nu 20.000 euro lenen, vastgelegd op papier, en Tim helpen met een begroting en een afspraak bij de Kamer van Koophandel. Ik vind 20.000 euro nog steeds verschrikkelijk veel. Tegelijk weet ik dat een botte nee misschien betekent dat hij straks met zijn spullen voor de deur staat, boos en gekwetst, en dat ik hem alsnog binnenlaat.

Gisteren stuurde Tim een berichtje. Alleen: “Sorry voor zondag. Ik snap dat jullie moeten nadenken.”

Ik heb het drie keer gelezen. Daarna heb ik teruggestuurd dat wij ook sorry waren dat het zo liep, en dat we vrijdag willen praten. Geen beloftes, geen discussie via WhatsApp.

De ordner ligt nog steeds op tafel. Henk zegt dat we niet vanuit angst moeten beslissen. Ik zeg dat angst soms gewoon ervaring is met een andere naam.

Vrijdag komt Tim eten. Ik maak iets makkelijks, denk ik. Pasta of zo. Ik weet nog niet wat we hem gaan zeggen.