Mijn man noemt mij hard omdat ik wil dat onze zoon uit ons bijgebouw vertrekt
Ik merk de laatste tijd aan kleine dingen dat ik niet meer ontspannen ben in mijn eigen huis. Als ik ’s morgens de waterkoker aanzet, luister ik eerst of er beweging is in het bijgebouw. Als ik de gordijnen open doe, kijk ik onwillekeurig of de fiets van onze zoon er nog staat. En als mijn man Henk zijn telefoon opneemt en ineens zachter gaat praten, weet ik meestal al waar het over gaat.
Onze zoon, Daan, is 34. Hij woont sinds november in het bijgebouw achter ons huis in de buurt van Deventer. Het klinkt chiquer dan het is: vroeger was het een werkplaats van de vorige eigenaar. Henk heeft er na zijn VUT jaren aan geklust. Een keukentje, een douche, een tweedehands bank, laminaat erin. Eigenlijk was het bedoeld als hobbyruimte en voor logees. Misschien ooit voor de kleinkinderen, als die er zouden komen. Daan heeft geen kinderen, geen vaste relatie en op dit moment ook geen vaste baan.
Henk en ik hebben allebei altijd gewerkt. Hij bij een installatiebedrijf, ik jarenlang in de thuiszorg en later in de planning. We zijn geen mensen met een enorm vermogen of zo, maar we hebben geen hypotheek meer en we hebben zuinig geleefd. Niet ieder jaar ver weg op vakantie, geen nieuwe auto zolang de oude nog reed. Toen Henk vorig jaar 63 werd, zeiden we tegen elkaar: nu mag het ook wel eens wat rustiger. Een paar weken met de caravan weg. Lekker tuinieren. Niet meer altijd rekening houden met roosters, cliënten, gedoe.
Daan heeft het moeilijk gehad, dat ontken ik niet. Op school al. Hij kon slim uit de hoek komen, maar zodra iemand hem vertelde wat hij moest doen, klapte hij dicht of ging hij juist in de aanval. Hij heeft opleidingen niet afgemaakt, baantjes gehad die steeds stukliepen en periodes dat hij nauwelijks de deur uitkwam. Soms ging het maanden redelijk en dacht ik: nu komt hij op gang. Dan kreeg hij weer ruzie met een leidinggevende, kwam er een rekening waar hij niet op gerekend had of verbrak hij contact met mensen omdat hij dacht dat ze tegen hem waren.
In oktober belde hij me ’s avonds laat. Hij stond buiten bij zijn huurwoning in Apeldoorn. Hij had een huurachterstand, zijn contract bij een magazijn was niet verlengd en hij zei dat hij het allemaal niet meer trok. Niet op een dramatische manier, eerder vlak. Dat vond ik misschien nog erger.
Henk zei meteen dat hij bij ons kon komen. Ik zei ook ja. Dat wil ik eerlijk zeggen, want soms lees ik reacties onder dit soort verhalen alsof je een harteloos mens bent als je niet direct alles opgeeft voor je kind. Ik wilde hem niet op straat laten staan. Alleen wilde ik dat het tijdelijk zou zijn en dat we het duidelijk zouden regelen.
Ik heb toen een lijstje gemaakt. Maximaal zes maanden. Hij zou 350 euro per maand bijdragen, niet omdat wij dat geld per se nodig hadden, maar zodat hij niet weer volledig achterover zou gaan leunen. Hij moest zich inschrijven bij een coach via de gemeente of in elk geval hulp zoeken om weer structuur te krijgen. En hij kon niet zomaar ons huis binnenlopen alsof hij hier nog zestien was. Klinkt misschien streng, maar ik ken mijn zoon.
Henk vond het lijstje al overdreven.
“Hij komt net met zijn neus boven water, Marije. Moet je hem dan gelijk een huurcontract onder zijn neus duwen?”
Ik zei dat het geen huurcontract was. Het was een paar afspraken op een A4’tje. Daan knikte toen ik het uitlegde, keek vooral naar de grond en zei: “Ja mam, logisch.”
De eerste weken gingen eigenlijk best goed. Hij hielp Henk een keer met de schutting. We aten op zondag samen. Hij had een afspraak bij het Werkplein gemaakt. Ik merkte dat ik weer hoop kreeg, wat achteraf misschien dom was. Ik begon al te denken aan een kleine studio voor hem, iets via antikraak misschien, zodra hij weer inkomen had.
Daarna begonnen de afspraken langzaam te verschuiven. De bijdrage kwam niet in november, want zijn uitkering was nog niet rond. In december ook niet, omdat hij eerst een oude energierekening moest betalen. Henk zei telkens: laat maar, die jongen heeft al genoeg aan zijn hoofd. De coach werd een intake die verplaatst was, toen een nummer dat hij nog moest bellen, en uiteindelijk iets waar Daan boos van werd als ik ernaar vroeg.
“Jullie denken ook dat ik kapot ben of zo,” zei hij een keer.
Dat dacht ik niet. Of misschien dacht ik wel dat hij hulp nodig had, maar dat is niet hetzelfde.
Wat me het meest is gaan opbreken, zijn niet eens de euro’s. Het is dat hij steeds meer in ons dagelijkse leven is gaan zitten. Hij komt om elf uur binnen voor koffie en blijft dan tot twee uur aan de keukentafel hangen terwijl ik eigenlijk mijn oefeningen moet doen voor mijn schouder. Hij vindt dat de verwarming te laag staat in het bijgebouw en zet dan hier de thermostaat omhoog, omdat hij toch “even binnen” is. Hij heeft commentaar op wat we eten. Hij vraagt Henk geld voor benzine waar ik bij zit, zodat ik degene ben die moeilijk doet als ik stil blijf of zucht.
Mijn schouderklachten zijn de laatste maanden erger geworden. Soms word ik wakker omdat ik verkeerd heb gelegen en krijg ik mijn arm nauwelijks omhoog. De fysiotherapeut zegt dat ik rustiger aan moet doen, maar rustiger aan doen lukt niet als je de hele tijd op scherp staat. Ik schaam me er bijna voor. Het is mijn eigen kind. Hij slaat me niet, hij scheldt me niet dagelijks uit. Hij is gewoon aanwezig op een manier die alles vol maakt.
Vorige maand kwam het eruit. Daan was die ochtend weer zonder te kloppen binnengekomen. Henk en ik hadden woorden gehad omdat hij voor de derde keer had gezegd dat die 350 euro “nu even niet realistisch” was. Ik stond aardappels te schillen en Daan begon over dat hij misschien een hond wilde nemen, want dan had hij een reden om naar buiten te gaan.
Ik heb mijn mes neergelegd en gezegd dat hij eerst die coach moest regelen, een vaste bijdrage moest gaan betalen en vóór 1 juni een plan moest hebben voor eigen woonruimte. Geen hond, geen nieuwe plannen, eerst dit.
Hij werd wit om zijn neus. Niet boos, eerst helemaal stil. Toen zei hij: “Dus je wilt gewoon dat ik weg ben.”
Ik zei: “Ik wil dat jij weer op eigen benen komt en dat wij weer rust krijgen.”
Dat klonk in mijn hoofd redelijk. Uitgesproken klonk het alsof ik hem eruit schopte.
Daan is naar buiten gelopen. Henk keek mij aan alsof ik iets onvergeeflijks had gedaan. Die avond zei hij dat ik geen idee had hoe kwetsbaar Daan is. Dat hij bang is dat onze zoon weer helemaal instort als we druk zetten.
Ik zei dat ik bang ben dat ik zelf instort als we geen druk zetten.
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks gepraat. Henk slaapt niet goed en zit ’s avonds in het bijgebouw met Daan een biertje te drinken. Ik hoor ze soms lachen. Dan voel ik opluchting, omdat Daan blijkbaar niet helemaal wegzakt. En tegelijk voel ik irritatie, omdat Henk daar zit te troosten terwijl ik binnen de administratie doe, de was opvouw en probeer niet te huilen om iets wat ik zelf ook kinderachtig vind.
Daan heeft inmiddels wel een afspraak gemaakt bij een praktijkondersteuner van de huisarts. De coach is nog steeds niet geregeld. Hij heeft deze maand 150 euro overgemaakt, met erbij: ‘Meer lukte niet.’ Ik heb alleen ‘oké’ teruggestuurd. Daar heb ik later spijt van gehad, want het was misschien een stap. Maar ik was moe en ik wilde niet weer de rol krijgen van degene die moet applaudisseren voor het minimale.
1 juni komt dichtbij. Henk zegt nu dat een deadline ook gewoon een richtlijn kan zijn. Misschien heeft hij gelijk. Misschien ben ik te hard geworden doordat ik zo bang ben dat dit nooit meer stopt.
Vanmiddag ga ik naar de fysio. Daarna moet ik nog boodschappen doen. Er staat vanavond stamppot op het menu, en ik weet nu al dat Daan waarschijnlijk vraagt of er ook iets anders is. Ik weet nog niet of ik daar iets van ga zeggen.