Toen ik de app van Carla dempte, voelde het alsof ik haar in de steek liet

‘Jullie snappen er gewoon niets van.’

Carla stond in onze hal met haar jas nog aan. Haar wangen waren rood, niet van de kou. Buiten tikte de regen tegen het raam. Op tafel stonden vier borden met koud geworden stamppot boerenkool. Theo had voor de derde keer die week te veel gemaakt, omdat we niet wisten of ze nu wel of niet zouden komen.

Ik voelde mijn keel dichtknijpen. ‘Carla, we proberen juist—’

‘Nee. Jullie zetten ons aan de kant nu Henk ziek is. Zeg dat dan gewoon.’

Henk bleef bij de voordeur staan. Hij keek naar de grond, zijn handen diep in zijn jaszakken. Vroeger was hij degene die als eerste binnenkwam, met een fles wijn in de lucht en een flauwe grap over Theo’s kookkunsten. Nu leek hij kleiner. Alsof zijn jas te groot was geworden.

Acht jaar lang waren wij met z’n vieren bijna een vast onderdeel van elkaars week. Elke donderdag aten we om half zeven bij elkaar. De ene keer bij Carla en Henk in Amersfoort, de andere keer bij ons in Utrecht. In de zomer gingen we met de auto naar Zeeland of een week naar Limburg. Geen luxe gedoe. Een huisje, wandelen, kaarten op tafel en veel te veel koffie.

Toen Henk vorig voorjaar thuis kwam te zitten, dacht ik eerlijk gezegd dat het tijdelijk zou zijn. Hij werkte al jaren bij dezelfde gemeente. Altijd verantwoordelijk, altijd bereikbaar. Hij zei zelf: ‘Ik moet gewoon even bijkomen.’

Maar dat even werd langer.

Hij sliep slecht. Hij vergat afspraken. Soms nam hij de telefoon niet op, dagenlang. Carla vertelde dat hij ’s ochtends op de rand van het bed zat en niet wist waarom hij überhaupt moest opstaan. Ik schrok daarvan. Natuurlijk schrok ik.

Dus we deden wat vrienden doen, dacht ik. Theo ging met Henk wandelen. Ik nam Carla mee naar de markt, zodat ze even haar huis uit was. We zetten eten voor de deur als ze niet wilden opendoen. We stuurden berichtjes: geen druk, alleen even laten weten dat we aan jullie denken.

In het begin zei Carla nog dankjewel.

Later kwamen de afzeggingen.

‘Henk trekt het niet.’

‘Ik kan hem niet alleen laten.’

‘Misschien volgende week.’

Iedere keer op het laatste moment. Soms had ik uren gekookt. Soms hadden Theo en ik een oppas geregeld voor onze kleindochter, omdat we eindelijk eens met z’n vieren weg zouden gaan. Dan keek hij naar de gedekte tafel en haalde zwijgend de glazen weg.

Het ergste was niet eens dat ze niet kwamen. Het ergste was dat elk contact een crisis werd. Carla belde vaak laat op de avond. Dan huilde ze en zei ze dat Henk niets meer wilde, dat de bedrijfsarts hem niet begreep, dat de kinderen te weinig langskwamen. Ik luisterde. Een uur, soms langer.

Als ik voorzichtig vroeg hoe het met háár ging, snauwde ze: ‘Denk je dat ik tijd heb om over mezelf na te denken?’

Op een zondag zei Theo ineens: ‘Margreet, ik word al zenuwachtig als mijn telefoon trilt.’

Ik wilde boos op hem worden. Hoe kon hij dat zeggen? Henk was toch onze vriend? Carla ook?

Maar ik herkende het. Ik zette meldingen uit als ik naar bed ging. Ik voelde opluchting als er geen bericht kwam. Daarna schaamde ik me meteen. Wat voor vriendin was ik dan?

De druppel kwam toen Carla belde omdat Henk niet mee wilde naar zijn afspraak bij de huisarts. Theo liet alles vallen en reed naar Amersfoort. Hij trof Henk op de bank aan, stil en starend naar de televisie. Carla liep door de kamer te ijsberen en beet Theo toe dat hij Henk ‘wel even moest toespreken’.

Toen Theo zei dat hij geen hulpverlener was en dat dit misschien te groot voor ons werd, begon Carla te huilen. Niet zacht. Boos huilen.

‘Dus jullie doen ook al moeilijk.’

Die avond zat Theo aan de keukentafel met zijn hoofd in zijn handen. ‘Ik kan Henk niet genezen. En jij kunt Carla niet overeind houden. Maar ze doen alsof wij ze laten vallen als we dat niet kunnen.’

Na twee dagen stilte stuurden we een bericht. We schreven dat we van hen hielden, dat we bereikbaar bleven voor een koffie of een wandeling, maar dat we voorlopig niet meer op elk moment konden inspringen. Geen late noodtelefoons meer, tenzij er echt acute hulp nodig was. Geen plannen maken die wij steeds op het laatste moment moesten opvangen.

Carla antwoordde bijna meteen.

‘Dus nu krijgen we regels. Fijn om te weten wat jullie vriendschap waard is.’

En daar stond ze dus, in onze hal, met die koude stamppot achter me en Henk bij de deur.

Ik zei uiteindelijk: ‘We laten jullie niet vallen. Maar we kunnen niet jullie hele leven dragen. We raken elkaar kwijt, Theo en ik. Begrijp je dat dan niet?’

Carla keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven. Henk zei niets. Dat doet misschien nog het meeste pijn.

Ze gingen weg zonder te eten. De volgende ochtend stuurde Henk één bericht: ‘Sorry dat het zo gelopen is.’ Meer niet.

Sindsdien is het stil. Ik mis hen verschrikkelijk. Ik mis vooral wie we waren voordat alles zwaar werd. Maar ik slaap weer. Theo lacht weer aan tafel. En dat voelt tegelijk als opluchting en als iets waarvoor ik me niet zou mogen schamen.

Hoe ver ga je voor een vriend die zelf geen hand meer kan uitsteken? En wanneer wordt trouw zijn aan een ander ontrouw aan jezelf?