Onze vriendschap van dertig jaar brak bijna op een pak gehakt en een vakantiehuisje

“Zou je dat bakje anders weg willen halen?” zei Marjan, terwijl ik net de gehaktballetjes op tafel zette. “Ik krijg daar echt onrust van. Al dat plastic, al dat vlees… het staat voor mij inmiddels ergens voor.”

Ik stond met die schaal in mijn handen en keek haar aan alsof ik haar niet verstond. We kennen elkaar al ruim dertig jaar. Marjan en ik zaten vroeger samen op de tribune bij het voetbal van onze zoons. Onze mannen, Kees en Johan, klusten bij elkaar, leenden gereedschap uit, dronken samen bier in de schuur. Elke vrijdag aten we om de beurt bij elkaar. Dat was geen afspraak meer, dat was gewoon ons leven.

Maar die avond voelde mijn eigen huis ineens niet meer als mijn huis.

Kees schraapte zijn keel. “Marjan, het is maar een bakje.”

“Ja, voor jou is het maar een bakje,” zei ze zacht, maar op die toon waar al iets van verwijt in zat. “Voor mij is het onderdeel van iets groters. Ik kan niet meer doen alsof het normaal is.”

Johan keek naar zijn bord. Dat deed hij de laatste maanden vaker. Alsof hij telkens net te laat merkte dat er weer een opmerking aankwam.

Het begon eigenlijk een halfjaar eerder. Marjan had een documentaire gezien, zei ze. Daarna was alles anders. Geen vlees meer, geen vis, geen verpakkingen, geen nieuwe kleding, geen vliegvakanties, geen koffiecups, geen shampoo uit flessen “vol rotzooi”. Eerst dacht ik: prima, ieder z’n ding. We hebben allemaal fases. Kees heeft ook ooit brood gebakken alsof hij de hele buurt moest voeden.

Maar dit was geen fase.

Marjan nam haar eigen glazen potjes mee met notenpasta, haverkoekjes en iets wat op kaas moest lijken maar naar nat karton smaakte. Als ik een bos bloemen kocht, vroeg ze of ik wist hoeveel bestrijdingsmiddelen daarin zaten. Als Johan een saucijzenbroodje haalde op het station, trok ze alleen al bij de geur haar neus op.

Het ergste was nog niet eens wat ze zei. Het was hoe stil het daarna werd.

Op een vrijdag had ik mijn best gedaan. Linzensoep gemaakt. Brood van de bakker. Salade zonder dressing uit een fles. Ik had zelfs losse tomaten gehaald in plaats van zo’n plastic bak. Toen zei Marjan, terwijl ze naar het brood wees: “Weten jullie eigenlijk waar die tarwe vandaan komt?”

Ik lachte nog. Een beetje dom misschien. “Nee Marjan, ik heb de boer niet gesproken.”

Ze lachte niet terug.

Na afloop hielp Johan me met afruimen. Bij de kraan zei hij zacht: “Ik weet ook niet meer hoe ik het goed moet doen.”

Ik keek hem aan. Hij zag er moe uit. Ouder ook ineens. “Maar jij woont ermee,” zei ik.

Hij knikte alleen.

Kees wilde er eerst luchtig over doen. “Laat toch waaien,” zei hij steeds. “Ze bedoelt het vast goed.” Maar zelfs hij klapte dicht toen Marjan op een zondagmiddag zei dat onze vriendschap alleen kon blijven bestaan als we “eerlijk durfden kijken naar onze schadelijke gewoontes”.

Ik weet nog precies hoe ze het zei. We zaten in hun tuin onder de vergeelde parasol. Johan had muntthee gezet uit een oude ketel zonder snoer, want ook de waterkoker was wegbezuinigd op stroomverbruik.

“Ik vraag niet veel,” zei Marjan. “Alleen dat we in deze vriendschap geen vlees meer eten, geen wegwerpplastic gebruiken en uitjes kiezen die in lijn zijn met wat verantwoord is. Anders voelt het voor mij niet meer zuiver.”

Kees zette zijn glas neer. Harder dan nodig. “Zuiver? Alsof wij vies zijn?”

“Dat zeg ik niet.”

“Nee, dat zeg je wel. Alleen met andere woorden.”

Ik voelde mijn wangen gloeien. Niet eens alleen van boosheid. Ook van verdriet. Omdat ik haar kende. Omdat ik wist dat ze echt geloofde dat ze iets goeds deed. En omdat het tóch klonk alsof alles wat wij deden kleiner, dommer, slechter was.

We spraken twee weken niet. Dat was nog nooit gebeurd.

Toen kwam de vakantie erbij. Elk jaar gingen we een midweek weg. Veluwe, Drenthe, soms Zeeland. Gewoon een huisje, fietsen mee, kaarten op tafel, beetje wandelen, beetje mopperen op het weer. Dit keer had Kees iets gevonden in Limburg.

Marjan schudde direct haar hoofd. “Dat park is van een commerciële keten. En er is een buitenzwembad dat verwarmd wordt. Dat kan ik niet verantwoorden.”

Kees lachte kort. Zo’n lach zonder plezier. “We gaan niet een staatsgreep plegen, we willen een weekje weg.”

“Je maakt me belachelijk.”

“Nee,” zei ik toen, voor ik mezelf tegen kon houden. “Maar jij maakt óns al maanden klein in alles wat we doen. In ons eten, onze boodschappen, onze uitstapjes, zelfs in onze keuken. En ik ben daar klaar mee.”

Het was doodstil.

Johan keek naar zijn handen. Marjan begon te huilen. Niet netjes, niet beheerst. Gewoon rauw. “Ik dacht juist dat echte vrienden met je meegroeien,” zei ze.

En daar brak iets in mij, want ik dacht: maar waarom voelt jouw groei alsof wij moeten krimpen?

We zijn uiteindelijk niet samen op vakantie gegaan. Voor het eerst in dertig jaar niet. Johan stuurde later een appje. Dat hij me miste. Dat hij hoopte dat dit niet het einde was. Ik heb heel lang naar dat bericht gekeken voor ik antwoord gaf.

Nu zien we elkaar minder. Soms drinken we koffie. Voorzichtig. Alsof we over glas lopen dat nog steeds op de vloer ligt. De warmte is er ergens nog wel, maar hij komt niet meer vanzelf.

Ik mis wie we waren. Maar ik wil niet bevriend zijn met iemand bij wie ik eerst moreel examen moet doen voordat ik een gehaktbal mag bakken.

Zeg eens eerlijk: moet je in een lange vriendschap altijd meebewegen, ook als je jezelf kwijt dreigt te raken? Of mag je op een dag zeggen: tot hier, en niet verder?