Ik zei nee tegen onze oudste vrienden, en ineens stond mijn huwelijk net zo onder druk als die vriendschap
“Je doet alsof we een stel zeikerds zijn omdat we één weekend voor onszelf willen.” Mijn stem sloeg over toen ik dat zei. Arend stond met zijn autosleutels in zijn hand, half in zijn jas, half nog in de woonkamer. Op tafel lag alweer zo’n appje van Theo: vertrek zaterdag 06.15, files voor zijn, broodjes mee, laarzen aan. Alsof het vanzelfsprekend was. Alsof ons leven inmiddels in Theo’s agenda woonde.
Arend keek me aan zoals hij dat de laatste maanden vaker deed. Moe. Alsof hij tussen twee vuren stond en stiekem hoopte dat één van die vuren vanzelf uit zou gaan.
“Het is maar een dag, Marga. We hebben het toch altijd gezellig met Theo en Ria?”
Maar daar ging het allang niet meer om.
We kennen Theo en Ria al ruim dertig jaar. Kampeerweekenden op de Veluwe, samen fietsen langs de Lek, klaverjassen met kaasblokjes en lauwe bitterballen. Gewoon, fijn, vertrouwd. Altijd wederkerig. Als wij iets voorstelden, schoven zij aan. Als zij iets bedachten, dachten wij mee. Zo hoort vriendschap toch te voelen.
Tot Theo met pensioen ging.
De eerste weken vond ik het hem nog gunnen ook. Eindelijk tijd. Eindelijk geen baas meer. Maar toen kwam die nieuwe passie. Oude zeiljachten. Restaureren, bekijken, veilingen afstruinen, havens afrijden, beurzen bezoeken, weekenden plannen rondom masten, laklagen, touwen, motoren en weet ik wat nog meer. Het vrat tijd. En geld ook, al deed Theo daar luchtig over.
“Je leeft maar één keer,” zei hij dan, met die grote grijns van hem.
Ja, dacht ik steeds. Daarom wil ik mijn zaterdagen dus ook niet in een tochtige loods in Harlingen doorbrengen.
Ria veranderde ook. Zij liep achter Theo aan met thermoskannen koffie en broodjes ei, alsof ze bang was dat hij omviel als ze één keer niet meeging. Toen ik een keer voorzichtig tegen haar zei dat het wel veel werd, haalde ze haar schouders op.
“Ach, beter dit dan dat hij de hele dag op de bank zit te mopperen. Laat hem toch.”
Maar Theo liet niet alleen Theo. Hij trok ons mee.
Elke donderdag kwam er een bericht in de groepsapp. Nooit meer: zullen we zondag koffie doen? Of: zin in een wandeling? Nee, het was altijd een compleet programma. Vertrektijd. Locatie. Wat we moesten aantrekken. Soms zelfs wat we mee moesten nemen.
Arend ging daarin mee. Eerst aarzelend. Toen fanatieker. Niet omdat hij ineens gek was op die boten, geloof ik. Maar omdat hij Theo al zijn hele volwassen leven kende en bang was dat afstand meteen iets kapot zou maken.
“Als we nu steeds afhaken, worden we die mensen die alleen nog thuis zitten,” zei hij.
“Of we worden mensen met een eigen leven,” beet ik terug.
Dat was hard. Ik zag het meteen aan zijn gezicht. Toch nam ik het niet terug.
Want ik was óók net gewend aan ons eigen ritme. Rustig ontbijten. Naar de markt. Een middag niksen zonder schuldgevoel. We hadden zó lang gewerkt. Was dit niet precies de fase waarin je niet meer overal ja op hoefde te zeggen?
De echte klap kwam op een woensdagavond. Theo en Ria zaten hier aan de eettafel. Ria had appeltaart mee. Theo straalde op een manier die me meteen nerveus maakte.
“Jongens,” zei hij, terwijl hij met vlakke hand op tafel sloeg, “ik heb het gevonden. Dé reis. Drie weken. Langs historische havens in Denemarken en Zuid-Noorwegen. Met excursies, rondleidingen, een overtocht op een oud zeilschip, alles erop en eraan. We moeten wel snel boeken, anders zijn de beste hutten weg.”
Ik voelde mijn maag samenknijpen.
Arend vroeg meteen: “Wanneer?”
Wanneer. Niet óf.
Theo noemde een bedrag waar ik gewoon stil van werd. Niet iets wat je even aftikt alsof het twee kaartjes voor de bios is. Duizenden euro’s. En alles draaide om zijn nieuwe obsessie. Drie weken lang.
Ik keek naar Arend. Hij keek naar Theo.
Toen zei ik: “Ik ga niet mee.”
Het werd zó stil dat ik de koelkast hoorde aanslaan.
Ria zette haar vork neer. Theo lachte eerst nog, kort, alsof hij dacht dat ik een grap maakte.
“Nee, serieus,” zei ik. “Ik ga niet drie weken en voor zoveel geld op een reis die ik niet eens zelf zou kiezen.”
Arend schoof onrustig op zijn stoel. “Marga, we kunnen er toch over nadenken?”
“Ik heb er al over nagedacht.”
Theo’s gezicht veranderde. Dat vrolijke viel er in één keer af.
“Nou ja,” zei hij, “het is ook een beetje geven en nemen in vriendschap. Wij zijn er toch ook altijd voor jullie geweest?”
Die kwam binnen. Alsof mijn nee ondankbaarheid was.
Ik zei: “Vriendschap is niet dat één iemand bepaalt en de rest volgt.”
Arend zuchtte hard. “Moet dit nou zo?”
Ja, dacht ik. Blijkbaar wel, omdat niemand anders het zegt.
Nadat ze weg waren, kregen Arend en ik de ergste ruzie in jaren. Geen schreeuwen, dat niet eens. Veel erger. Dat lage, ingehouden praten waar de teleurstelling in trilt.
“Je zet ons buitenspel,” zei hij.
“Nee,” zei ik. “Ik weiger alleen mee te draaien in iemand anders’ leven alsof het het onze is.”
“Je begrijpt niet wat Theo voor me betekent.”
“En jij begrijpt niet wat rust voor míj betekent.”
Hij sliep die nacht in de logeerkamer. Ik bleef wakker en staarde naar het plafond. Ik vroeg me echt af of ik nou koppig was of eindelijk eerlijk. Dat is soms een akelig dun lijntje.
De dagen erna werd het nog ongemakkelijker. In de appgroep stuurde Theo vooral berichten aan Arend. Praktische dingen. Data. Links. Alsof ik al half verdwenen was. Ria stuurde mij apart: jammer dat je zo negatief reageerde. Zo negatief. Dat woord bleef hangen.
Ik ben niet negatief. Ik ben gewoon moe van altijd inschikken omdat iemand anders zo hard roept.
Arend heeft uiteindelijk gezegd dat hij alleen ook niet ging. Ik was opgelucht, maar blij voelde het niet. Eerder schuldig. Alsof ik hem iets had afgepakt. Sindsdien is het stiller. Minder appjes. Minder vanzelfsprekendheid. En misschien is dat precies waar Arend bang voor was.
Maar ik blijf met één vraag zitten: als een vriendschap alleen heel blijft zolang je je eigen grens inslikt, hoe hecht was die vriendschap dan eigenlijk?
Zou jij zijn meegegaan voor de sfeer, of had jij ook nee gezegd, met alle gevolgen van dien?