Ik dreigde thuis te blijven van onze jaarlijkse Frankrijk-vakantie, en ineens bleek onze vriendengroep na dertig jaar minder hecht dan ik altijd had geloofd
‘Dan ga ik niet mee.’
Harm zei het terwijl hij zijn leesbril afzette en die veel te rustig naast zijn bord legde. Alsof hij aankondigde dat hij nog koffie wilde. Ik stond met een pan sperziebonen in mijn hand en voelde meteen dat dit fout zat.
‘Wat bedoel je, je gaat niet mee?’ vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben klaar met dat gedoe, Marjan. Elk jaar weer dat grote huis in Zuid-Frankrijk, die eindeloze discussies over wijn, zwembaden, airco, wie de beste kamer krijgt. Het gaat nergens meer over.’
Ik lachte eerst nog. Zo’n kort, ongelovig lachje. ‘Het gaat over onze vakantie. Over genieten. Na al die jaren werken mogen we toch wel eens comfortabel zitten?’
Maar Harm keek niet weg. En toen wist ik: hij meende het.
Wij gaan al bijna dertig jaar met dezelfde groep weg. Acht mensen. Harm en ik, Kees en Anja, Willem en Ingrid, en Paul en Ria. Eerst met tenten en kinderen die elkaar natspoten met waterpistolen. Later met stacaravans. En de laatste twaalf jaar huren we een groot huis in Frankrijk. Mooie keuken, fatsoenlijke bedden, zwembad, uitzicht. Niet obscene rijkdom of zo, maar wel luxe. En eerlijk? Ik leef daar het hele jaar naartoe.
Voor mij is die vakantie heilig. Twee weken zonder agenda. Zonder gezeur. Rosé op tafel, slippers aan, een boek op schoot. Gewoon even niet meer trekken.
Harm begon de laatste jaren al te mopperen. Dat het allemaal steeds chiquer moest. Dat Paul per se een huis wilde met laadpaal voor zijn elektrische auto. Dat Ingrid moeilijk deed over ‘authentieke sfeer’ maar ondertussen wel drie badkamers eiste. Ik hoorde het wel, maar ik dacht: ach, laat hem. Iedereen moppert weleens.
Tot hij in de groepsapp zette: Misschien dit jaar eens de Auvergne? Kleiner huis, eenvoudiger, goedkoper, minder poespas.
Het werd eerst stil. Veel te stil.
Daarna reageerde Anja met een smiley en: Lijkt me eigenlijk heerlijk, terug naar simpel.
En toen ging het los.
Ria vond het onzin. ‘We hebben hard gewerkt voor ons geld. Waarom zouden we ineens doen alsof comfort verdacht is?’
Paul was nog scherper. ‘Als je wilt bezuinigen, prima, maar leg dat dan gewoon zo neer.’
Ik voelde me rood worden toen ik dat las. Alsof Harm publiekelijk was neergezet als gierig. Dat was hij niet. Helemaal niet zelfs. Hij gaf juist makkelijk uit aan goede doelen, aan de kleinkinderen, aan etentjes. Alleen hier zat iets diepers.
Die avond zei ik: ‘Waarom maak je hier zo’n punt van? Het is maar twee weken.’
Hij keek me aan met een vermoeid gezicht dat ik ineens ouder vond dan eerst. ‘Omdat ik me al jaren erger, Marjan. Omdat niemand meer zegt waar het echt om gaat. Alles draait om wat mooier, duurder, luxer is. Ik voel me daar niet meer thuis.’
‘Dus dan trek je de hele groep mee in jouw principe?’
‘Mijn principe?’ zei hij hard. ‘Misschien wil ik gewoon een vakantie waarin ik niet hoef te doen alsof ik dit belangrijk vind.’
Dat kwam aan. Omdat ik het wél belangrijk vond.
De week daarna hadden we een etentje bij Kees en Anja om het uit te praten. Ik had nog hoop. Dom misschien.
We zaten in hun serre, met glazen witte wijn op tafel en schaaltjes nootjes waar niemand echt van at.
Paul begon meteen. ‘Ik zal maar eerlijk zijn. Ik heb geen zin om op mijn leeftijd in een uitgewoond huis zonder fatsoenlijke matrassen te liggen omdat we ineens nostalgisch moeten doen.’
Harm zei rustig: ‘Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat we misschien doorgeslagen zijn.’
‘Wij zijn niet doorgeslagen,’ zei Ria. ‘Wij kiezen gewoon voor comfort.’
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘En daar is niks mis mee.’
Toen keek Anja naar mij. ‘Maar waarom maakt het jou zo boos, Marjan? Als het echt om samen zijn gaat, kan het toch ook iets eenvoudiger?’
Ik schoot vol. Meteen. Irritant ook.
‘Omdat ik hier het hele jaar voor leef, oké? Omdat ik altijd rekening houd met iedereen. Met kinderen, ouders, werk, ziekenhuizen, oppas, verjaardagen, mantelzorg. En ja, dan wil ik twee weken waarin ik níét inlever.’
Er viel zo’n stilte waarin je alleen nog bestek hoort tikken.
Willem kuchte wat en zei toen: ‘Ik snap eigenlijk beide kanten wel.’
Dat hielp dus totaal niet.
Op de terugweg in de auto zei ik niets. Harm ook niet. Alleen bij het stoplicht in Geldermalsen zei hij opeens: ‘Je deed alsof ik je iets afpak.’
‘Omdat het zo voelt.’
‘Ik probeer iets terug te vinden.’
‘En ik probeer eindelijk eens te genieten zonder schuldgevoel.’
Hij kneep zijn handen strakker om het stuur. ‘Zie je nou? Zelfs jij noemt het schuldgevoel.’
Een paar dagen later werd er gestemd in de app. Echt waar, alsof we een VvE waren. Vier mensen voor eenvoudiger en goedkoper. Vier mensen voor het vertrouwde luxe huis.
Patstelling.
Daarna belde Ingrid me apart. Ze zei zacht: ‘Ik denk dat dit niet alleen over vakantie gaat bij Harm.’
En ze had gelijk. Sinds zijn pensioen is hij veranderd. Minder tolerant voor opsmuk. Minder bereid om mee te bewegen. Eerlijker ook, maar op een manier die schuurt. Alsof hij ineens niet meer wil doen alsof. En ik… ik merk juist dat ik na een leven van zorgen behoefte heb aan zachtheid. Aan mooie lakens, goed eten, een terras in de avondzon. Is dat dan oppervlakkig? Ik weet het niet.
Vorige week zei Harm aan de ontbijttafel: ‘Als zij dat huis boeken, blijf ik thuis.’
Ik smeerde boter op mijn beschuit en mijn hand trilde. ‘En ik ga wel.’
Hij knikte alleen maar. Dat vond ik nog het ergst.
We slapen al drie nachten half met onze rug naar elkaar. Niet dramatisch met deuren slaan en zo. Bijna nog pijnlijker. Gewoon die stille kou van twee mensen die allebei vinden dat ze eindelijk eens serieus genomen moeten worden.
En de groep? Die is ineens geen veilige vaste kring meer, maar een spiegel geworden. Van wie we zijn. Van wat we belangrijk vinden. Van wie er mee beweegt en wie niet meer kan.
Ik had nooit gedacht dat een vakantiehuis in Frankrijk zo veel kapot kon maken. Of misschien maakt het niks kapot, misschien laat het alleen zien wat er al langer scheef zat.
Zeg het maar: moet je voor de vrede meegaan met de groep, of juist vasthouden aan wat voor jou klopt, ook als alles daardoor op scherp komt te staan?
En hoe eerlijk is liefde eigenlijk, als de één rust vindt in eenvoud en de ander eindelijk durft te verlangen naar iets fijns?