Altijd Tweede Keus: Wanneer Zijn Familie Altijd Op Eén Staat

‘Weer je moeder?’ Mijn stem trilt, terwijl ik Mark zie opstaan van de bank, zijn telefoon al tegen zijn oor gedrukt. Hij knikt, zijn blik ontwijkt de mijne. ‘Ze heeft me nodig, Sanne. Het is belangrijk.’

Ik zucht, maar hij hoort het niet meer. De deur valt zachtjes dicht achter hem. Het is zaterdagavond, onze avond. De avond waarop we eindelijk samen zouden koken, een film zouden kijken, misschien zelfs praten over die vakantie naar Texel waar we het al maanden over hebben. Maar Mark is alweer weg, opgeslokt door de problemen van zijn familie.

Het begon klein. Een lekke kraan bij zijn zus, een kapotte fiets van zijn neefje, zijn moeder die hulp nodig had met haar belastingaangifte. Mark was altijd de redder, de man die alles oploste. In het begin vond ik het bewonderenswaardig. Wat een zorgzame man, dacht ik. Maar nu, drie jaar later, voelt het alsof ik een relatie heb met zijn familie in plaats van met hem.

‘Je moet niet zo jaloers zijn,’ zei mijn vriendin Iris laatst, toen ik mijn hart luchtte tijdens een wandeling door het Vondelpark. ‘Het is toch mooi dat hij zo betrokken is?’

‘Maar wanneer is het genoeg?’ vroeg ik. ‘Wanneer kiest hij eens voor mij?’

Die vraag blijft door mijn hoofd spoken, elke keer als zijn telefoon gaat. Soms fantaseer ik dat ik de telefoon uit het raam gooi, of dat ik gewoon wegloop, zonder iets te zeggen. Maar ik doe het niet. Ik wacht. Altijd maar wachten.

De volgende ochtend zit ik aan de keukentafel, mijn handen om een kop lauwe koffie gevouwen. Mark komt binnen, zijn ogen rood van vermoeidheid. ‘Sorry van gisteravond,’ mompelt hij. ‘Mam had het echt moeilijk. Ze voelde zich zo alleen sinds papa weg is.’

‘En ik dan?’ hoor ik mezelf zeggen, zachter dan ik bedoel. ‘Voel jij je nooit schuldig tegenover mij?’

Hij kijkt me aan, alsof hij me voor het eerst echt ziet. ‘San, ik probeer het allemaal te combineren. Maar mijn familie heeft me gewoon nodig.’

‘En ik dan?’ herhaal ik. ‘Heb ik je niet nodig?’

Hij zwijgt. Het antwoord hangt tussen ons in, zwaar en onuitgesproken.

Die middag ga ik naar mijn moeder in Haarlem. Ze ziet meteen dat er iets is. ‘Jullie hebben weer ruzie gehad?’ vraagt ze, terwijl ze een plak ontbijtkoek voor me snijdt.

‘Niet echt ruzie. Meer… stilte. Hij is er gewoon nooit. Altijd maar bezig met zijn familie. Ik voel me zo alleen, mam.’

Ze legt haar hand op de mijne. ‘Soms moet je kiezen voor jezelf, Sanne. Je kunt niet altijd op de tweede plek staan.’

Maar hoe doe je dat, als je van iemand houdt? Hoe kies je voor jezelf zonder hem kwijt te raken?

De weken verstrijken. Mark blijft de redder. Zijn broer belt omdat hij ruzie heeft met zijn vriendin. Zijn moeder heeft haar bril kwijt. Zijn zus wil verhuizen en heeft hulp nodig met schilderen. Elke keer zegt Mark: ‘Ik ben zo terug, San.’ Maar hij is nooit snel terug. En als hij thuiskomt, is hij moe, leeg, afwezig.

Op een avond, als de regen tegen de ramen tikt, barst ik. ‘Ik kan dit niet meer, Mark. Ik voel me onzichtbaar. Alsof ik niet besta in jouw leven.’

Hij kijkt me aan, zijn ogen groot van schrik. ‘Maar San, je weet toch dat ik van je hou?’

‘Dat weet ik niet meer,’ fluister ik. ‘Want liefde is ook kiezen. En jij kiest altijd voor hen.’

Hij zakt neer op de bank, zijn hoofd in zijn handen. ‘Ze hebben me gewoon nodig. Jij bent sterk, jij redt je wel.’

‘Maar ik wil niet altijd sterk zijn. Ik wil ook eens degene zijn die op jou kan leunen. Wanneer ben ik aan de beurt?’

Het blijft stil. Alleen het tikken van de klok vult de kamer.

De volgende dag probeer ik met hem te praten. ‘Kunnen we niet afspraken maken? Eén avond per week alleen voor ons? Of dat je je telefoon uitzet als we samen zijn?’

Hij knikt, maar ik zie de twijfel in zijn ogen. ‘Ik zal het proberen, San. Echt.’

Maar het blijft bij proberen. De familie blijft bellen. En Mark blijft gaan.

Op een dag, als ik thuiskom van mijn werk, zit zijn moeder in onze woonkamer. Ze huilt. Mark zit naast haar, zijn arm om haar schouders. Ze kijkt op als ik binnenkom. ‘Sorry, Sanne. Ik had Mark nodig. Het spijt me dat ik stoor.’

Ik glimlach flauwtjes. ‘Het geeft niet.’ Maar het geeft wel. Het geeft heel veel.

Die nacht lig ik wakker. Ik denk aan hoe het ooit was, toen Mark en ik samen door de grachten van Amsterdam liepen, hand in hand, lachend om niets. Waar is dat gebleven? Wanneer zijn we elkaar kwijtgeraakt?

Op een zaterdag, als Mark weer weg is om zijn zus te helpen met verhuizen, bel ik Iris. ‘Kom je naar het strand?’ vraag ik. ‘Ik moet eruit.’

We lopen langs de zee, de wind in ons haar. ‘Misschien moet je hem een ultimatum stellen,’ zegt Iris. ‘Of hij kiest voor jullie, of je gaat weg.’

‘Maar wat als hij niet voor mij kiest?’

‘Dan weet je genoeg.’

De volgende avond, als Mark thuiskomt, wacht ik hem op. Mijn hart bonkt in mijn borst. ‘Mark, ik kan zo niet verder. Ik wil dat je kiest. Voor ons, of voor je familie. Ik wil niet langer tweede keus zijn.’

Hij staart naar de vloer. ‘San, dat kan ik niet. Ze zijn mijn familie. Ik kan ze niet laten vallen.’

‘En ik dan? Laat je mij dan vallen?’

Hij zwijgt. En in die stilte weet ik genoeg.

Ik pak mijn tas, stop wat kleren in. Mark kijkt toe, zijn ogen vol tranen. ‘San, alsjeblieft…’

‘Ik moet voor mezelf kiezen, Mark. Voor het eerst in jaren.’

Ik loop de deur uit, de koude avondlucht slaat in mijn gezicht. Maar ik voel me lichter dan ooit.

Nu, weken later, zit ik op mijn kleine balkon in Utrecht. De zon zakt achter de daken. Soms mis ik hem. Maar vaker voel ik rust. Ik vraag me af: hoeveel van ons zijn er, die altijd maar wachten tot we eindelijk op de eerste plek mogen staan? Wanneer kiezen we eens voor onszelf?

Wat zouden jullie doen? Zou je blijven wachten, of ook voor jezelf kiezen?