Na de begrafenis van mijn vader kwam een onbekende vrouw naar me toe en zei: ‘Hij was ook mijn vader’
‘Je weet het zeker?’ Haar stem trilde, maar haar ogen weken geen moment van het graf. Ik voelde de kou van de natte aarde door mijn schoenen trekken, maar haar woorden deden me nog meer bevriezen.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik, mijn stem schor van het huilen en de kou.
Ze slikte, haar handen omklemden een verfrommeld zakdoekje. ‘Hij was ook mijn vader.’
Het leek alsof de tijd even stilstond. De regen tikte zacht op de paraplu’s van de laatste gasten die zich haastig verwijderden van het kerkhof. Ik keek haar aan, zoekend naar een spoor van een grap, een misplaatste poging tot troost. Maar haar blik was ernstig, haar ogen vochtig.
‘Dat kan niet,’ fluisterde ik. ‘Dat… dat zou ik weten.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik heet Sanne. Sanne de Vries. Mijn moeder is Marijke de Vries. Jouw vader… hij kwam vroeger vaak bij ons thuis. Ik wist het altijd al, maar nu hij er niet meer is, moest ik het je vertellen. Ik kon het niet langer voor me houden.’
Mijn benen voelden slap. Ik moest me vasthouden aan het koude, natte hek rondom het graf. ‘Waarom nu? Waarom hier?’
Sanne haalde haar schouders op. ‘Omdat ik het niet langer alleen kon dragen. Omdat jij het recht hebt het te weten. Omdat ik… omdat ik hoopte dat je misschien…’
Ze viel stil. Ik voelde een mengeling van woede, verdriet en ongeloof. Mijn vader, mijn rots, de man die me leerde fietsen in het Vondelpark, die me troostte toen mijn eerste liefde me verliet, die altijd zei dat eerlijkheid het belangrijkste was. Hoe kon hij zo’n groot geheim voor me verborgen houden?
‘Mijn moeder zei altijd dat hij een goede man was,’ vervolgde Sanne zacht. ‘Maar dat hij niet kon kiezen. Dat hij bang was om alles te verliezen. Ik heb hem nooit gevraagd om te kiezen. Ik wilde alleen weten wie ik was.’
Ik keek naar haar gezicht, probeerde gelijkenissen te vinden. Haar neus, haar ogen… misschien, heel misschien, zag ik iets van mijn vader in haar trekken. Maar ik wilde het niet zien. Niet nu. Niet hier.
‘Weet mijn moeder hiervan?’ vroeg ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar.
Sanne schudde haar hoofd. ‘Ik denk het niet. Ze heeft het nooit gezegd. Maar misschien… misschien wist ze het wel. Moeders weten vaak meer dan ze laten merken.’
Ik dacht aan mijn moeder, haar stille verdriet de laatste jaren, haar vermoeidheid, haar afstandelijkheid. Was dit de reden? Had ze het altijd geweten, maar gezwegen om mij te beschermen? Of om zichzelf te beschermen?
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zei ik uiteindelijk. ‘Ik weet niet eens wat ik moet voelen.’
Sanne knikte. ‘Dat snap ik. Ik heb er jaren over gedaan om het te accepteren. Maar nu hij er niet meer is, voelt het alsof ik een deel van mezelf kwijt ben dat ik nooit echt heb gehad.’
We stonden zwijgend naast elkaar, terwijl de regen harder begon te vallen. De bloemen op het graf werden langzaam platgedrukt door het water. Mijn handen trilden. Ik dacht aan alle keren dat mijn vader laat thuis kwam, aan de telefoontjes die hij snel ophing als ik binnenkwam, aan de vakanties die hij soms op het laatste moment moest afzeggen. Had ik het altijd al geweten, diep vanbinnen?
‘Wil je koffie?’ vroeg ik plotseling, zonder echt te weten waarom. Misschien omdat ik niet wilde dat dit het einde was. Misschien omdat ik antwoorden wilde. Misschien omdat ik haar wilde leren kennen, of haar juist wilde afwijzen. Ik wist het niet.
Sanne glimlachte voorzichtig. ‘Graag.’
We liepen samen naar mijn auto. De rit naar mijn huis was ongemakkelijk stil. Ik probeerde me te concentreren op het verkeer, maar mijn gedachten tolden. Wat zou ik mijn moeder zeggen? Moest ik het haar vertellen? En wat als ze het al wist?
Thuis zette ik koffie. Sanne keek nerveus om zich heen, alsof ze niet wist waar ze haar jas moest ophangen. ‘Je hebt het mooi hier,’ zei ze zacht.
‘Dank je,’ mompelde ik. ‘Wil je suiker?’
‘Nee, zwart graag.’
We gingen aan de keukentafel zitten. Ik keek naar haar handen, haar nagels kort en onopvallend gelakt. Ze leek op mij, maar ook weer niet. Ik voelde me verscheurd tussen nieuwsgierigheid en afkeer.
‘Hoe was hij bij jullie?’ vroeg ik uiteindelijk.
Sanne glimlachte weemoedig. ‘Lief. Aandachtig. Hij nam me mee naar Artis, kocht altijd een ijsje voor me. Maar hij was er niet vaak. En als hij er was, was hij soms afwezig. Alsof hij ergens anders aan dacht. Ik wist dat er iets was, maar ik wist niet wat.’
Ik knikte. ‘Bij ons was hij er altijd. Of… dat dacht ik. Maar nu denk ik: misschien was hij er nooit echt. Misschien was hij altijd ergens anders met zijn gedachten.’
We zwegen weer. De klok tikte luid in de stilte. Ik dacht aan mijn jeugd, aan de verjaardagen, de feestdagen, de kleine ruzies. Alles leek nu in een ander licht te staan.
‘Waarom heb je me nooit eerder opgezocht?’ vroeg ik.
Sanne haalde haar schouders op. ‘Ik was bang. Bang dat je boos zou zijn. Of dat je me niet zou willen kennen. Maar nu hij er niet meer is, voelde ik dat ik het moest doen. Voor mezelf. Voor jou misschien ook.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik weet niet of ik je kan vergeven. Niet jou, maar hem. Ik weet niet of ik hem ooit nog kan herinneren zonder dit te voelen.’
Sanne knikte. ‘Dat begrijp ik. Maar misschien… misschien kunnen we samen iets nieuws opbouwen. Iets wat hij ons niet heeft kunnen geven.’
De dagen daarna waren een waas. Ik vertelde mijn moeder wat er was gebeurd. Ze zweeg lang, keek me aan met die vermoeide ogen. ‘Ik wist het,’ zei ze uiteindelijk. ‘Maar ik hield te veel van hem om hem te laten gaan. En ik hield te veel van jou om je pijn te doen.’
Ik voelde me verraden, maar ook opgelucht. Alles viel op zijn plek, maar het deed pijn. Sanne en ik spraken elkaar vaker. We wandelden samen door het park, dronken koffie, praatten over onze jeugd. Soms voelde het alsof ik een zus had gevonden. Soms voelde het alsof ik alles kwijt was.
Op een dag zaten we samen op een bankje aan de Amstel. De zon scheen, maar het voelde nog steeds koud. ‘Denk je dat hij spijt had?’ vroeg ik.
Sanne keek naar het water. ‘Ik denk het wel. Maar ik denk ook dat hij niet wist hoe hij het goed moest maken. Misschien was hij gewoon bang.’
Ik knikte. ‘Ik ben ook bang. Bang dat ik nooit meer iemand volledig kan vertrouwen. Bang dat ik altijd zal twijfelen aan wat mensen zeggen.’
Sanne pakte mijn hand. ‘Misschien kunnen we samen leren vertrouwen. Misschien kunnen we samen iets nieuws beginnen.’
Ik keek haar aan, zag de hoop in haar ogen. Misschien was dit het begin van iets nieuws. Misschien was dit de kans om te helen.
Maar soms, als ik alleen ben, vraag ik me af: hoeveel geheimen kunnen we verdragen voordat we breken? En hoe vind je jezelf terug als alles wat je dacht te weten, ineens niet meer waar blijkt te zijn?