Een hond die mijn winter brak: Mijn strijd tegen schuld en eenzaamheid in Groningen

Ik voelde het koude metaal van de riem nog in mijn hand terwijl ik de natte stoep overstak. Sam, mijn hond met zijn warrige zwarte vacht en grijze snuit, was zonder waarschuwing losgeschoten en rende het steegje in. Mijn hart bonsde in mijn borst, snakkend naar adem, terwijl paniek zich als een ijzige mist om me heen trok. Mijn schuldgevoel over wat er jaren geleden was gebeurd, hield me soms letterlijk gevangen in mijn kleine flat in Groningen. Maar nu had ik geen keuze: ik moest Sam vinden, wat er ook gebeurde.

Het had nooit in mijn hoofd gezeten om een hond te nemen. Na het ongeluk met mijn broer — een moment van onoplettendheid, één verkeerde beslissing, en hij lag in het ziekenhuis zonder te ontwaken — was ik mezelf gaan mijden. Ik liet mensen niet meer toe, zelfs mijn moeder niet. Maar Sam stond op een dag gewoon voor mijn deur, samen met een buurjongen van vijf, die niet wist waar hij anders heen moest met het dier dat zijn vader op straat had gezet. Ik wilde hem terugbrengen, dat zweer ik je. Maar iets in zijn blik — die verlegen, hoopvolle hondenogen — hield me tegen. Ik nam hem, die rommelige mongrel, over, alleen voor één nacht. Dat was mijn eerste onomkeerbare keuze.

De geur van natte hond vulde sindsdien mijn kleine flat, vooral in de wintermaanden wanneer de regen tegen de ramen sloeg en Sam zich tegen mijn benen nestelde op de bank. Ik had niet gerekend op de blaffende klachten die binnen een week kwamen. De VvE stuurde een boze brief: ‘Geen honden toegestaan in het gebouw. We tolereren het deze maand vanwege de omstandigheden, maar daarna moet hij weg.’ Ik wist dat ik het risico liep eruit te moeten, maar Sam was al een deel van mijn dagelijkse routine geworden. Ik besloot te verhuizen, ondanks het gedoe en de kosten. Ik vond een klein huisje aan de rand van de stad, tussen de geur van slootwater en nat gras, waar we samen elke ochtend door mistige polders liepen. Dat was mijn tweede onomkeerbare keuze: verhuizen voor een hond die niet eens van mij had moeten zijn.

In het begin voelde ik alleen maar last. Werken in de avonduren bij de HEMA betekende dat ik Sam soms lang alleen moest laten, tot hij begon te slopen. Mijn baas had weinig begrip toen ik mijn uren wilde aanpassen. ‘Je privéprobleem is niet onze zaak, hè,’ zei ze. Uiteindelijk nam ik ontslag en leefde van spaargeld en af en toe een freelanceklus. Het leven werd krapper, de rekening van de dierenarts — Sam bleek een hartprobleem te hebben — vrat mijn laatste spaargeld op. Ik koos ervoor om geen dure behandeling te starten, enkel de noodzakelijke medicatie. Ik voelde me schuldig, maar ik kon niet anders. Dat was mijn derde onomkeerbare keuze: mijn werk opgeven én accepteren dat ik niet alles kon redden, niet eens Sam helemaal.

Toch veranderde Sam iets in mij. De dagelijkse wandelingen, door weer en wind, dwongen me in contact met mensen die ik anders nooit zou spreken. Bij het hondenveldje ontmoette ik Anouk, een jonge psychologe met een Friese stabij. Ze rook altijd naar koffie en pepermunt. We raakten aan de praat over honden en het leven, en langzaam durfde ik haar te vertellen over mijn broer, over hoe schuld soms als een natte deken op je blijft liggen. Sam vond haar fantastisch, dat zag je aan zijn kwispelende staart en rustige ademhaling als ze hem over de kop aaide. Door hem had ik weer iemand tot mijn leven toegelaten.

De angst om Sam te verliezen begon pas echt toen hij midden in een stormachtige nacht begon te hijgen, zwaar en onregelmatig, zijn borst snel op en neer. Ik voelde de warmte van zijn lijf tegen mijn been terwijl ik zijn vacht droogde met een oude handdoek, de geur van natte hond en, ergens, van mijn eigen angst. De dierenarts, een vrouw die altijd naar ontsmettingsmiddel rook, zei dat ik hem goed in de gaten moest houden. Ik bleef die nacht op, luisterde naar zijn ademhaling, de regen tegen het glas, het bonken van mijn eigen hart. In die uren voelde ik een vreemd soort vrede: ik wás verantwoordelijk. Ik kon niet meer vluchten.

Sam overleefde die stormnacht, maar werd langzaam ouder en zwakker. Onze wandelingen werden korter, de geuren van versgemaaid gras en natte aarde minder intens. Toch bleef hij elke ochtend zijn kop op mijn knie leggen, warm en trouw, alsof hij me eraan herinnerde dat ik hem had gekozen — en misschien ook weer voor mezelf. Door Sam durfde ik mijn moeder weer op te zoeken. We spraken af in het park, waar de geur van friet uit het nabijgelegen snackbar me terugbracht naar kindertijd. Ze aaide Sam over zijn rug, voelde zijn ribben. ‘Hij heeft je gered, hè?’ vroeg ze zacht. Ik knikte. Meer kon ik niet zeggen.

Sam stierf een paar maanden later, vredig, in zijn mand naast de verwarming. Ik hield zijn kop in mijn handen, voelde de laatste warme adem langs mijn vingers, en huilde om alles wat ik niet kon herstellen. Maar dankzij Sam had ik geleerd weer te kiezen, zelfs als de uitkomst pijn doet.

Soms vraag ik me af: hoeveel schuld mag je dragen voor de keuzes van het verleden? En hoeveel moed heb je nodig om, ondanks alles, nog een keer voor iemand — hond of mens — te kiezen? Wat zouden jullie doen als alles opnieuw begon, maar je weer moest kiezen tussen blijven en loslaten?