Het moment dat ik alles achterliet en alleen mijn hond me nog vasthield

Het was al donker toen ik op het hondenuitlaatveldje stond, natte wind sloeg in mijn gezicht. Mijn vingers klemden zich vast om de modderige riem van Takkie, de magere bruine straathond die ik drie dagen geleden uit de regen had geplukt achter het station van Tilburg. Naast me lag een plas bloed; Takkie had zijn poot opengehaald aan een gebroken fles. Mijn hart bonsde in mijn borst, mijn ademhaling was onregelmatig, terwijl ik de wond bekeek. Ik had geen geld meer voor de dierenarts nadat vorige week al mijn spaargeld opging aan nieuwe winterjassen voor de kinderen. Maar ik kon niet anders: ik moest handelen.

De scheur in zijn poot was diep, en de geur van ijzer vermengde zich met de natte hondengeur die zich in mijn kleine flatje sinds zijn komst had genesteld. Ik probeerde het bloed te stelpen met een oude theedoek, terwijl regen hard tegen mijn gezicht sloeg. Mijn handschoenen waren doorweekt, en ik voelde de kou tot in mijn botten. Ik dacht aan de kinderen, die bij mijn moeder in Pécs waren, ver weg van deze ellende, en aan Zsolt, mijn man, die me al weken niet echt meer aankeek.

Takkie keek op naar me met zijn felle, donkere ogen. Ondanks de pijn bewoog zijn staart zwakjes. Sinds hij bij me was, voelde ik me verantwoordelijk voor iets dat ik niet zomaar kon uitleggen. Het begon toen ik hem vond, trillend in een portiek, zijn ribben duidelijk zichtbaar onder zijn vieze vacht. Ik kon hem niet laten liggen; dat zou ik mezelf nooit vergeven. Maar mijn huisbaas had me al gewaarschuwd: geen honden in het gebouw, anders zou ik eruit moeten. En toch, daar stond ik met Takkie in mijn armen, zijn hart kloppend tegen mijn borst terwijl ik zijn warme lijf probeerde te beschermen tegen de kou.

De dagen daarna werden een waas van compromissen en angst. Takkie blafte soms uit onrust, en ik hield mijn adem in als ik voetstappen op de trap hoorde. De geur van natte hond hing als een zware deken in mijn smalle hal, gemengd met de geur van goedkope oploskoffie die ik mezelf nog permitteerde als troost. Ik sliep slecht; de zorgen over geld, de angst om mijn woning te verliezen, het schuldgevoel tegenover de kinderen groeiden als onkruid in mijn hoofd. Maar zonder Takkie kreeg ik mezelf niet meer uit bed. Zijn kop op mijn knie, de warme druk van zijn lijf tegen mijn dij als ik te lang stil bleef zitten – het was alsof hij me dwong in beweging te blijven. In zijn aanwezigheid kon ik niet helemaal opgeven.

Toen het niet langer ging, belde ik mijn moeder en vroeg of de kinderen bij haar konden blijven. Ik vertelde haar niets over Takkie – ze had me voor gek verklaard. Zsolt stuurde me een bericht: ‘Waar ben je? De kinderen vragen naar je.’ Ik kon het niet opbrengen te antwoorden. De burn-out waar ik al maanden tegen vocht, kwam als een golf over me heen. De huisarts had me op een wachtlijst voor de GGZ gezet, maar het kon nog maanden duren. Mijn werkgever stuurde dreigende mails over mijn langdurige ziekteverlof. Ik voelde me schuldig, overbodig, en vooral: alleen.

Tot die nacht, op het hondenveldje, met Takkie’s bloed op mijn handen. Ik wist dat ik nú moest kiezen. Of ik bracht hem naar de spoeddienst – wat betekende dat ik de huur waarschijnlijk niet kon betalen deze maand – of ik liet hem lijden. Ik koos voor Takkie. Met ingehouden adem fietste ik door de ijzige motregen naar de dierenkliniek aan de rand van de stad. Het wachten in de steriele hal, met de geur van ontsmettingsmiddel en natte hond, duurde een eeuwigheid. Toen de rekening kwam, voelde ik een stekende pijn in mijn maag, maar ik betaalde. De volgende dag kreeg ik een dreigende mail van de huisbaas. Ik moest weg als er weer klachten kwamen.

Ik probeerde Takkie verborgen te houden, maar na enkele dagen rook een buurvrouw de hond in de gang. Ze bonkte op mijn deur en riep dat ze de VvE zou inschakelen. Mijn handen trilden van angst en woede, en ik huilde die nacht voor het eerst in maanden. Maar Takkie liet zich niet wegduwen; hij kroop tegen me aan, zijn ademhaling rustig en zijn lijf warm. Ik voelde zijn hartslag toen ik hem tegen me aandrukte. Zijn koppigheid, zijn aanwezigheid, dwong me opnieuw tot een keuze.

Ik pakte mijn spullen, schreef Zsolt een lange mail waarin ik uitlegde dat ik niet meer terug kon naar het oude leven. Ik vond een tijdelijk kamer in een rijtjeshuis aan de rand van de stad, waar honden wel welkom waren. De huur was hoger, het huis kleiner, maar ik kon ademen. Takkie liep naast me in het ochtendlicht langs het kanaal, de wind rook naar vers gras en modder. Soms kwam ik een buurman tegen, met wie ik langzaam een praatje begon te maken. Voor het eerst in tijden voelde ik me gezien, niet als moeder, niet als partner, maar als mezelf. Takkie was mijn stille getuige, mijn anker.

De kinderen kwamen logeren. Ze moesten wennen aan het idee van een hond, maar na een paar dagen lag Takkie opgekruld aan het voeteneind van hun bed. Ik zag hoe hij mijn dochter troostte toen ze heimwee had; hij duwde zijn natte neus tegen haar hand, en ze lachte weer. Zelfs Zsolt kwam langs, voorzichtig, om over de kinderen te praten. Er was nog veel pijn tussen ons, maar de aanwezigheid van Takkie maakte het gesprek zachter, minder beschuldigend.

Ik ben nog steeds bang dat ik alles verkeerd heb gedaan. Mijn financiën zijn een puinhoop, ik weet niet hoe ik de komende maanden rond moet komen. Maar ik weet ook dat ik zonder Takkie misschien nooit de stap had gezet om mezelf weer belangrijk te maken. Hij dwingt me elke dag naar buiten, dwingt me mensen aan te kijken, dwingt me te kiezen voor het leven, zelfs als ik niet weet of ik het aankan. Soms ruikt hij nog naar slootwater als we terugkomen van een lange wandeling; die geur doet me beseffen dat ik nog steeds onderweg ben, en misschien is dat genoeg.

Heb jij ooit iets of iemand gehad die je leven omgooide, juist toen je dacht dat je het niet meer aankon? Wanneer kies je voor jezelf, en wanneer voor een ander?