Wanneer de wereld in één nacht instort: Het verhaal van ouders die hun zoon moesten loslaten
‘Waarom heb je niet beter opgelet, Marieke?’ Bastiaan’s stem trilt, zijn ogen zijn rood van het huilen, maar zijn woorden snijden als messen. Ik sta in de keuken, mijn handen trillend om de rand van het aanrecht. Buiten raast de storm, regen slaat tegen de ramen van ons rijtjeshuis in Amersfoort. De stilte tussen ons is ondraaglijk, gevuld met het geluid van de klok die elke seconde onze nieuwe werkelijkheid tikt.
‘Ik… ik was maar heel even boven, Bas. Hij sliep gewoon, ik zweer het je.’ Mijn stem klinkt schor, alsof ik al uren heb geschreeuwd. Maar ik heb alleen gehuild. Gehuild tot ik geen tranen meer had, tot mijn keel rauw was van het snikken. Stijn, onze kleine jongen, achttien maanden oud, lag vanavond nog in zijn bedje. Nu is hij weg. Voor altijd.
Bastiaan draait zich om, zijn schouders schokkend. ‘Waarom wij? Waarom Stijn?’ Hij slaat met zijn vuist op de tafel. Het geluid echoot door het huis, als een donderklap na de bliksem. Ik wil naar hem toe, hem vasthouden, maar mijn benen voelen als lood. Ik weet niet of hij mijn aanraking nu kan verdragen. Misschien wil hij me nooit meer aanraken.
De ambulancebroeders waren snel, maar niet snel genoeg. Ik zie het nog voor me: Stijn, bleek en stil, zijn kleine lijfje slap in mijn armen. Ik schreeuwde zijn naam, probeerde hem wakker te schudden, maar zijn ogen bleven gesloten. Bastiaan kwam de trap afgerend, zijn gezicht vol paniek. ‘Wat is er met hem? Marieke, wat heb je gedaan?’
Die vraag blijft maar rondzingen in mijn hoofd. Wat heb ik gedaan? Of beter: wat heb ik niet gedaan? Had ik zijn ademhaling moeten controleren? Had ik hem niet alleen moeten laten, zelfs niet voor die paar minuten dat ik Zoë’s knuffel uit de was haalde? De schuld vreet aan me, als een beest dat nooit genoeg heeft.
De dagen na Stijns dood zijn een waas. Familie komt en gaat, de woonkamer vult zich met bloemen en kaarten. Mijn moeder, Ans, probeert me te troosten, maar haar woorden bereiken me niet. ‘Je moet sterk zijn voor Zoë,’ zegt ze steeds. Maar hoe kan ik sterk zijn als ik zelf uit elkaar val?
Zoë, onze dochter van vier, begrijpt het niet. Ze vraagt elke ochtend waar haar broertje is. ‘Mama, waar is Stijn? Mag hij weer met mij spelen?’ Ik slik mijn tranen weg en zeg: ‘Stijn is nu een sterretje, lieverd.’ Maar ik geloof het zelf niet. Ik weet alleen dat hij weg is, en dat ik hem nooit meer zal horen lachen.
Bastiaan en ik groeien uit elkaar. We slapen in aparte kamers. Hij werkt lange dagen op kantoor, komt laat thuis en eet zwijgend zijn bord leeg. Soms hoor ik hem huilen in de badkamer. Soms hoor ik mezelf schreeuwen in mijn dromen. We praten niet meer over Stijn. We praten eigenlijk nergens meer over.
Op een avond, als de regen weer tegen de ramen slaat, barst de bom. Bastiaan komt thuis, zijn jas nog aan, zijn gezicht grauw. ‘Ik kan dit niet meer, Marieke. Ik kan niet doen alsof alles normaal is. Jij… jij lijkt het niet eens te voelen!’
Ik spring op van de bank. ‘Niet te voelen? Denk je dat ik niet elke seconde aan hem denk? Dat ik niet elke nacht wakker lig, mezelf afvragend wat ik fout heb gedaan?’ Mijn stem breekt. ‘We zijn hem allebei kwijt, Bas. Niet alleen jij.’
Hij zakt neer op de stoel, zijn hoofd in zijn handen. ‘Ik weet het niet meer. Ik weet niet hoe we hier ooit uitkomen.’
De weken slepen zich voort. Mijn schoonmoeder, Truus, komt langs en zegt dingen die pijn doen. ‘Misschien had je toch beter moeten opletten, Marieke. Kleine kinderen… je weet hoe snel het mis kan gaan.’ Ik knik, want ik heb geen energie om te protesteren. Bastiaan zegt niets. Hij kijkt weg, alsof hij zich schaamt voor mij, of misschien voor zichzelf.
Op een dag belt de huisarts. ‘Marieke, ik maak me zorgen om je. Wil je niet eens met iemand praten?’ Ik wil niet praten. Ik wil Stijn terug. Maar ik ga toch. De psycholoog, een jonge vrouw met zachte ogen, luistert naar mijn verhaal. ‘Het is niet jouw schuld, Marieke,’ zegt ze. Maar haar woorden glijden van me af als regen van een jas.
De enige die me nog een beetje op de been houdt, is Zoë. Haar kleine handje in de mijne, haar vragen, haar lachjes. Soms, als ik haar in bed stop, fluistert ze: ‘Mama, Stijn is nu een engeltje, hè?’ Dan knik ik, en hoop ik dat het waar is. Dat hij ergens is waar hij geen pijn heeft, waar hij gelukkig is.
Op een avond, als Bastiaan en ik samen in de keuken staan, breekt hij. ‘Ik mis hem zo, Marieke. Ik weet niet hoe ik zonder hem verder moet.’
Ik pak zijn hand, voor het eerst in weken. ‘Ik ook, Bas. Maar we hebben Zoë nog. We moeten voor haar blijven vechten. Voor onszelf.’
Langzaam, heel langzaam, vinden we een nieuw ritme. We praten meer, soms huilen we samen. We gaan samen naar het grafje van Stijn, zetten bloemen neer, vertellen hem over onze dag. Het gemis blijft, als een wond die nooit helemaal geneest. Maar er groeit iets nieuws, heel voorzichtig: hoop. Hoop dat we ooit weer kunnen lachen, dat we ooit weer kunnen leven.
Toch blijft de vraag knagen: waarom wij? Waarom Stijn? Had ik het kunnen voorkomen? Soms kijk ik naar Zoë en vraag ik me af: hoe leer ik haar omgaan met verlies, als ik het zelf nog niet kan? Misschien hebben jullie daar een antwoord op. Hoe ga je verder als de wereld in één nacht instort?