Wanneer liefde een strijd wordt: Het verhaal van Marloes en Daan
‘Waarom moet je altijd alles in twijfel trekken, Marloes?’ Daans stem trilt door de keuken, zijn handen stevig om het aanrecht geklemd. Ik voel mijn hart bonzen in mijn borstkas, alsof het elk moment kan breken. Buiten tikt de regen tegen het raam, maar binnen stormt het harder dan ooit.
‘Omdat ik niet wil verdwijnen in jouw schaduw, Daan,’ fluister ik, nauwelijks hoorbaar. Mijn stem klinkt vreemd, alsof ik mezelf niet herken. Hij draait zich om, zijn ogen donker, zijn kaak gespannen.
‘Je overdrijft. Je weet dat ik alleen maar wil dat het goed gaat tussen ons.’
Ik lach schamper. ‘Goed voor wie?’
Het is niet de eerste keer dat we zo tegenover elkaar staan. Sinds onze eerste ontmoeting op het terras aan de Amstel – hij met zijn charmante glimlach, ik met mijn eeuwige twijfel – is er altijd iets geweest wat wringt. In het begin dacht ik dat het spanning was, passie misschien. Maar nu weet ik beter.
Mijn moeder zei altijd: ‘Marloes, je moet nooit je eigen licht dimmen voor een ander.’ Maar wat als die ander degene is van wie je houdt? Wat als je elke dag wakker wordt met het gevoel dat je jezelf stukje bij beetje kwijtraakt?
De eerste maanden met Daan waren magisch. We fietsten samen door de Jordaan, deelden friet op de markt, lachten om flauwe grappen. Maar langzaam veranderde er iets. Hij begon kleine dingen te controleren: welke vrienden ik zag, hoe laat ik thuis was, zelfs wat ik aantrok. ‘Het staat je prachtig,’ zei hij dan, terwijl hij een blouse uit mijn kast haalde die ik zelf nooit zou kiezen.
‘Waarom draag je die trui niet meer?’ vroeg hij op een avond.
‘Omdat ik me daar niet fijn in voel.’
‘Maar ík vind hem mooi.’
Het leek onschuldig, maar het voelde als een druppel op een gloeiende plaat. Elke keer als ik iets voor mezelf deed, voelde ik zijn blik in mijn rug prikken.
Mijn beste vriendin, Sanne, zag het eerder dan ik. ‘Je bent veranderd, Marloes. Je lacht minder. Je bent zo voorzichtig geworden.’
‘Het is gewoon druk op werk,’ loog ik.
Maar Sanne liet zich niet afschepen. Ze nodigde me uit voor een avondje uit in Utrecht, ver weg van Amsterdam en Daans invloed. Die avond voelde ik me weer even mezelf: dansend op oude hits, lachend tot mijn wangen pijn deden. Maar toen ik thuiskwam, zat Daan op de bank te wachten.
‘Was het leuk?’ vroeg hij zonder op te kijken van zijn telefoon.
‘Ja, heel leuk zelfs.’
‘Mooi,’ zei hij kortaf. ‘Volgende keer kun je me misschien even laten weten waar je bent.’
‘Ik had je geappt.’
‘Ja, maar niet vaak genoeg.’
Het was alsof hij me langzaam in een kooi stopte waarvan ik het bestaan niet eens doorhad. Mijn wereld werd kleiner; zijn stem werd luider in mijn hoofd.
Op een dag kwam mijn broer Jeroen langs. Hij keek me doordringend aan terwijl we koffie dronken aan de keukentafel.
‘Gaat het wel goed met jullie?’ vroeg hij voorzichtig.
Ik haalde mijn schouders op. ‘We hebben gewoon wat meningsverschillen.’
Jeroen zuchtte. ‘Marloes, je hoeft niet alles alleen te dragen.’
Die avond lag ik wakker in bed naast Daan, luisterend naar zijn regelmatige ademhaling. Ik dacht aan wie ik was voordat ik hem kende: spontaan, eigenwijs, vol dromen. Waar was dat meisje gebleven?
De volgende ochtend probeerde ik het gesprek aan te gaan.
‘Daan, ik voel me soms… opgesloten.’
Hij keek me aan alsof ik gek was. ‘Opgesloten? Door mij? Je mag alles doen wat je wilt.’
‘Dat zeg je wel, maar zo voelt het niet.’
Hij stond op en liep weg zonder iets te zeggen. De stilte die volgde was oorverdovend.
De weken daarna probeerde ik mezelf terug te vinden. Ik sprak vaker af met Sanne en Jeroen, ging weer schilderen – iets wat ik al jaren niet meer had gedaan. Elke keer als Daan vroeg waar ik was, voelde ik de oude angst terugkomen, maar ik probeerde hem te negeren.
Op een avond kwam hij boos thuis.
‘Waarom luister je nooit naar mij? Waarom moet jij altijd je eigen gang gaan?’
Ik voelde iets in mij breken. ‘Omdat het míjn leven is, Daan! Ik ben niet jouw bezit!’
Hij keek me aan met een mengeling van woede en verdriet. ‘Dus dit is hoe het gaat eindigen?’
Ik slikte de tranen weg die achter mijn ogen brandden. ‘Misschien wel.’
Die nacht sliep ik op de bank. De volgende ochtend pakte ik mijn spullen en vertrok naar Sanne. Ze sloeg haar armen om me heen en fluisterde: ‘Je bent dapper, Marloes.’
De weken daarna waren zwaar. Ik twijfelde aan alles: had ik het juiste gedaan? Was liefde niet juist geven en nemen? Maar elke dag voelde ik een stukje van mezelf terugkomen.
Op een regenachtige middag zat ik met Jeroen in een café aan de gracht.
‘Weet je nog hoe we vroeger altijd samen gingen schaatsen?’ vroeg hij glimlachend.
Ik knikte en voelde voor het eerst in maanden een warme gloed door me heen trekken.
‘Je bent sterker dan je denkt,’ zei hij zacht.
Nu, maanden later, kijk ik terug op die periode als een donkere tunnel waar ik uiteindelijk doorheen ben gekropen. Soms mis ik Daan nog steeds – of misschien alleen het idee van hem. Maar ik weet nu dat liefde nooit mag betekenen dat je jezelf verliest.
Hebben jullie ooit zo’n strijd gevoerd tussen liefde en zelfrespect? Wanneer weet je dat het tijd is om los te laten?