“Ze Zei Dat Ik Mijn Kleinkinderen Nooit Meer Zou Zien”: Het Moment Dat Mijn Wereld Instortte
‘Ze heeft de kinderen meegenomen, Marjan. Ze zei dat je ze nooit meer zult zien.’
De stem van mijn buurvrouw, Ans, trilde door de telefoon. Ik stond in de keuken, mijn handen nog nat van het afwassen, en alles leek ineens stil te vallen. Mijn hart bonsde in mijn keel. ‘Wat zeg je nou?’ stamelde ik. ‘Dat kan niet. Ze zouden vanmiddag gewoon naar zwemles gaan.’
‘Ik hoorde haar schreeuwen op de galerij,’ ging Ans verder. ‘Ze riep dat het nu klaar was. Dat je je niet kon beheersen. En… de kleine Joris huilde zo hard, Marjan. Het was hartverscheurend.’
Mijn benen voelden als pudding. Ik liet mezelf op een stoel zakken en staarde naar het aanrecht, waar de theedoek langzaam nat werd van het water dat uit mijn handen drupte. Dit moest een vergissing zijn. Of een misverstand. Mijn schoondochter, Sanne, kon soms fel uit de hoek komen, maar dit? De kinderen weghalen? Zeggen dat ik ze nooit meer zou zien?
Mijn gedachten schoten terug naar die ochtend. Ik had Joris en Lotte opgehaald, zoals elke woensdag. Sanne was gehaast, haar haar nog nat van de douche, en gaf me vluchtig een kus op de wang. ‘Ze hebben hun zwemspullen bij zich,’ zei ze kortaf. ‘En alsjeblieft, geen snoep vandaag. Lotte had buikpijn vannacht.’
‘Natuurlijk niet,’ had ik geantwoord, misschien iets te defensief. Ik voelde me altijd een beetje op mijn tenen bij Sanne. Ze vond me bemoeizuchtig, zei ze wel eens tegen mijn zoon, Mark. Maar ik bedoelde het alleen maar goed.
De dag verliep rustig, tot het moment dat Lotte begon te huilen omdat ze haar zwembril kwijt was. Ik zocht overal, trok zelfs de bankkussens los, maar nergens te vinden. Joris begon te zeuren dat hij honger had en ik voelde de stress in mijn nek trekken.
‘Waarom kun je nooit gewoon luisteren?’ riep ik uiteindelijk tegen Lotte, harder dan ik bedoelde. Ze schrok en begon nog harder te huilen. Joris keek me met grote ogen aan.
Op dat moment ging de voordeur open en stond Sanne daar, vroeger dan verwacht. Ze keek naar Lotte, die snikkend op de grond zat, en naar mij – haar blik was ijskoud.
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg ze scherp.
‘Ze kan haar zwembril niet vinden en…’
‘En daarom schreeuw je tegen haar?’ onderbrak Sanne me. ‘Dit is precies waarom ik twijfelde of ik ze nog wel bij je kon laten.’
‘Sanne, alsjeblieft…’
Maar ze luisterde niet meer. Ze pakte Lotte op, trok Joris aan zijn arm en liep met hen naar buiten. Op de galerij hoorde ik haar roepen: ‘Dit is klaar nu! Je ziet ze nooit meer!’
Ik stond verstijfd in de deuropening, niet wetend wat ik moest doen of zeggen.
Nu, uren later, zit ik nog steeds aan die keukentafel. De stilte in huis is oorverdovend. Ik pak mijn telefoon en probeer Mark te bellen, maar hij neemt niet op. Nog een keer probeer ik het – voicemail.
‘Mark, alsjeblieft… bel me terug,’ fluister ik met trillende stem na de piep. ‘Ik weet niet wat er gebeurd is, maar dit kan toch niet zo eindigen?’
De dagen die volgen zijn een waas van wachten en hopen. Ik slaap nauwelijks, eet amper iets. Elke keer als de telefoon gaat, springt mijn hart op – maar het is nooit Mark of Sanne.
Op vrijdagavond hoor ik eindelijk iets van Mark. Hij klinkt moe en afstandelijk.
‘Mam, ik denk dat het beter is als we even afstand nemen,’ zegt hij zachtjes.
‘Mark… je weet toch dat ik van die kinderen hou? Dat ik nooit iets zou doen om ze pijn te doen?’
Hij zucht diep. ‘Sanne is overstuur. Ze zegt dat je Lotte hebt laten schrikken en dat je altijd zo fel reageert als er iets misgaat.’
‘Maar Mark…’
‘Mam, luister nou gewoon even. We moeten dit rustig oplossen. Geef ons wat tijd.’
En dan hangt hij op.
Ik voel me alsof iemand mijn hart uit mijn borst heeft gerukt. Hoe kan het dat alles zo snel kapot is gegaan? Was ik echt zo streng? Heb ik niet gezien hoe gespannen Sanne was? Of was ik te veel bezig met hoe ík dacht dat het moest?
De dagen worden weken. Ik probeer brieven te schrijven aan Sanne – eerst boos, dan verdrietig, uiteindelijk smekend om vergeving en een nieuwe kans.
Geen antwoord.
Op een dag zie ik Lotte en Joris lopen met Sanne in het park tegenover mijn flat. Mijn hart maakt een sprongetje van hoop en pijn tegelijk. Ik wil naar ze toe rennen, maar durf niet. Wat als Sanne me wegstuurt? Wat als de kinderen bang zijn voor mij?
Ik blijf staan achter het gordijn en kijk toe hoe ze spelen op het grasveld.
Mijn zus Marijke komt langs met appeltaart – haar manier om troost te bieden.
‘Je moet volhouden,’ zegt ze zachtjes terwijl ze mijn hand vasthoudt. ‘Misschien draait Sanne bij als ze ziet hoe erg je dit vindt.’
‘Maar wat als ze dat niet doet?’ fluister ik terug.
Marijke haalt haar schouders op. ‘Dan moet je leren leven met spijt.’
Die nacht lig ik wakker in bed en denk aan vroeger – hoe Mark als kleine jongen altijd bij mij kwam uithuilen als hij ruzie had met vriendjes; hoe ik hem troostte met warme chocolademelk en zachte woorden.
Waar is die moeder gebleven? Wanneer ben ik veranderd in iemand die haar stem verheft tegen haar kleindochter?
Na drie maanden krijg ik eindelijk een berichtje van Mark: ‘Kunnen we praten?’
Mijn handen trillen als ik antwoord: ‘Altijd.’
We spreken af in een café aan het water in Utrecht. Mark zit er al als ik binnenkom; hij kijkt ouder dan ik me herinner.
‘Mam,’ begint hij voorzichtig, ‘Sanne heeft het moeilijk gehad na de geboorte van Joris. Ze voelt zich snel aangevallen…’
Ik knik langzaam. ‘En ik heb haar niet geholpen door zo streng te zijn.’
Hij kijkt me aan – voor het eerst echt – en knikt dan ook.
‘Misschien kunnen we samen proberen het goed te maken,’ zegt hij zachtjes.
Er is geen magische oplossing; geen omhelzing die alles goedmaakt. Maar er is hoop – een klein sprankje licht in de duisternis die mijn leven maandenlang heeft beheerst.
Soms vraag ik me af: hoeveel fouten kun je maken voordat iemand je voorgoed loslaat? En hoeveel liefde is er nodig om weer samen verder te gaan? Misschien hebben jullie daar een antwoord op…