Onderhuids: Hoe een Verborgen Waarheid Mijn Leven Op z’n Kop Zette
‘Waarom ruik je naar aftershave die niet van mij is?’ Mijn stem trilt, terwijl ik Marieke aankijk. Ze staat in de deuropening van onze flat in Utrecht, haar jas nog aan, haar blik schichtig. Het is een vraag die ik al weken in mijn hoofd herhaal, maar nooit durfde te stellen. Tot nu.
Ze lacht zenuwachtig. ‘Doe niet zo raar, Jeroen. Je weet toch dat ik met Sanne ben gaan lunchen?’
Maar ik weet het niet zeker. De twijfel knaagt aan me sinds die avond dat ze laat thuiskwam, haar telefoon op stil, haar blik afwezig. Sindsdien ben ik veranderd in iemand die ik niet herken: achterdochtig, gespannen, op zoek naar aanwijzingen in elk gebaar, elk woord.
Ik loop naar het raam en kijk uit over de grauwe straat. Fietsen staan schots en scheef geparkeerd, een tram rinkelt in de verte. Mijn hoofd bonkt. ‘Ik wil gewoon weten waar ik aan toe ben,’ zeg ik zacht.
Ze zucht diep en loopt langs me heen naar de keuken. ‘Je vertrouwt me niet meer, hè?’
Het antwoord blijft hangen tussen ons in. Ik weet het niet meer. Ik weet alleen dat ik kapotga aan deze onzekerheid.
De dagen daarna word ik een schim van mezelf. Op mijn werk bij de gemeente kan ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega’s merken het. ‘Alles goed thuis?’ vraagt Pieter op een ochtend.
‘Ja hoor,’ lieg ik. Maar mijn handen trillen als ik mijn koffie inschenk.
’s Avonds lig ik wakker naast Marieke, luisterend naar haar ademhaling. Soms draait ze zich om en voel ik haar blik op mij branden in het donker. We praten nauwelijks nog. De stilte groeit als een muur tussen ons.
Op een regenachtige donderdag besluit ik haar te volgen. Ik voel me vies, laf zelfs, maar de drang om de waarheid te weten is sterker dan mijn schaamte. Ze zegt dat ze naar yoga gaat, maar haar sporttas blijft onaangeroerd in de gang staan.
Ik volg haar op afstand door de smalle straatjes van Lombok. Mijn hart bonkt in mijn keel als ze een café binnenloopt waar wij vroeger samen kwamen. Door het raam zie ik haar tegenover een man zitten die ik niet ken. Ze lacht op een manier die ik al maanden niet meer heb gezien.
Die avond confronteer ik haar niet. Ik zwijg, eet mijn pasta zonder smaak en kijk haar niet aan. Maar iets in mij is gebroken.
De dagen daarna probeer ik het gesprek aan te gaan, maar ze ontwijkt me steeds. Tot op een avond, als de kinderen bij mijn schoonouders logeren, ze ineens zegt: ‘We moeten praten.’
Ik knik, mijn maag draait om.
‘Jeroen… Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen.’ Haar ogen vullen zich met tranen. ‘Ik heb iemand anders ontmoet.’
Het voelt alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. Alles wat ik dacht te weten over ons leven samen – onze vakanties aan de Waddenzee, de verjaardagen van de kinderen, onze dromen over een huisje aan het water – verdwijnt in één klap.
‘Hoe lang al?’ vraag ik met een stem die niet van mij lijkt te zijn.
‘Een paar maanden,’ fluistert ze.
Ik wil schreeuwen, haar verwijten maken, maar er komt niets uit. Alleen stilte.
De weken daarna leef ik op de automatische piloot. Ik ga naar mijn werk, haal de kinderen op van school, kook eten dat niemand echt eet. Marieke slaapt op de logeerkamer. Soms hoor ik haar huilen als ze denkt dat ik slaap.
Mijn moeder belt elke dag. ‘Kom je zondag eten? Je hoeft niet alleen te zijn.’ Maar zelfs bij haar voel ik me verloren.
Op een avond zit ik met mijn broer Bas in een café aan de Oudegracht. Hij kijkt me aan met die nuchtere blik van hem. ‘Je moet jezelf niet verliezen in haar keuzes, Jeroen.’
‘Maar hoe dan? Alles wat ik was, was met haar.’
Hij zwijgt even en tikt met zijn vinger op het glas bier voor hem. ‘Misschien is het tijd om te ontdekken wie je bent zonder haar.’
Die nacht lig ik wakker en denk na over zijn woorden. Wie ben ik zonder Marieke? Zonder ons gezin zoals het was?
De kinderen merken dat er iets mis is. Fleur vraagt waarom mama zo vaak weg is en waarom papa altijd zo moe kijkt. Ik probeer sterk te zijn voor hen, maar soms breek ik toch.
Op een dag komt Marieke thuis met rode ogen en zegt dat ze wil praten over de toekomst. ‘Ik wil eerlijk zijn tegen de kinderen,’ zegt ze zacht.
We zitten samen aan tafel en proberen uit te leggen wat er gebeurt. Fleur begint te huilen en rent naar haar kamer. Thijs zegt niets en staart naar zijn bord.
Na die avond verandert alles definitief. Marieke trekt bij haar nieuwe vriend in, de kinderen zijn om het weekend bij mij. Het huis voelt leeg en koud zonder hun stemmen en gelach.
Ik probeer mijn leven weer op te pakken: ga vaker hardlopen langs de Vecht, spreek af met vrienden die ik jaren verwaarloosd heb. Maar elke keer als ik thuiskom in het stille huis, voel ik de pijn weer scherp.
Soms denk ik terug aan hoe het begon tussen Marieke en mij: die eerste ontmoeting op het terras van De Rechtbank, hoe we samen lachten om flauwe grappen, hoe vanzelfsprekend alles leek te gaan. Waar is het misgegaan? Had ik meer moeten praten? Minder moeten werken? Of was dit onvermijdelijk?
Op een avond vind ik een briefje van Fleur op mijn kussen: ‘Papa, ik hou van jou tot aan de maan en terug.’ Ik huil voor het eerst sinds maanden echt – niet uit woede of verdriet om Marieke, maar uit liefde voor mijn kinderen en misschien ook wel een beetje voor mezelf.
Langzaam begin ik te accepteren dat sommige dingen kapotgaan zonder dat je ze kunt repareren. Dat liefde soms niet genoeg is om iemand bij je te houden.
Toch blijft er één vraag knagen: als vertrouwen eenmaal gebroken is, kun je dan ooit nog echt opnieuw beginnen? Of blijft er altijd iets onderhuids sluimeren?
Wat denken jullie: kun je na zo’n verraad ooit weer iemand volledig vertrouwen? Of blijft er altijd iets stuk?