Tussen heimwee en weerstand: Zomerdagen bij mijn schoonmoeder in Breda

‘Waarom kom je eigenlijk nog, als je toch altijd zo doet?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ria, snijdt door de keuken als een mes. Ik sta met trillende handen de vaatwasser uit te ruimen, terwijl mijn man, Jeroen, zich schuilhoudt in de tuin. Het is de eerste ochtend van onze vakantie in Breda en ik voel nu al dat het een lange week wordt.

‘Ik doe gewoon normaal, Ria,’ probeer ik zachtjes. Maar ze kijkt me aan met die blik die alles zegt: jij hoort hier niet echt bij. Mijn dochtertje Noor zit aan tafel met haar kleurpotloden, haar blik schichtig tussen ons heen en weer. Ik wil haar beschermen tegen deze spanning, maar weet niet hoe.

De reis naar Breda was al ongemakkelijk. Jeroen had onderweg nauwelijks iets gezegd. ‘Het is maar een week,’ had hij gefluisterd toen ik hem vroeg waarom hij zo stil was. Maar ik weet dat het meer is dan dat. Elke zomer gaan we naar zijn moeder, omdat het moet. Omdat ze weduwe is en zich alleen voelt. Maar niemand vraagt zich af hoe ik me voel.

Die eerste avond zitten we met z’n allen aan tafel. Ria schept de aardappelen op, zoals altijd veel te veel. ‘Je eet toch wel op, hè?’ zegt ze streng tegen Noor. Noor knikt braaf, maar ik zie haar lip trillen. Jeroen kijkt weg, zijn blik op het tafelkleed gericht.

‘Mam, laat haar nou,’ probeer ik voorzichtig. Maar Ria snuift. ‘Vroeger aten jullie alles op. Tegenwoordig zijn kinderen veel te verwend.’

Na het eten loop ik naar buiten, de tuin in. De lucht ruikt naar regen en gras. Jeroen volgt me even later. ‘Kun je niet gewoon even je best doen?’ fluistert hij. ‘Het is voor haar ook niet makkelijk.’

‘En voor mij dan?’ Mijn stem breekt bijna. ‘Ik voel me hier altijd een indringer.’

Hij zucht en draait zich om. ‘Ik weet het ook niet meer.’

De dagen slepen zich voort. Elke ochtend hetzelfde ritueel: ontbijt met te veel regels, een wandeling door het Mastbos waar Ria klaagt over haar knieën en Noor te hard rent volgens haar oma. Ik probeer gesprekken aan te knopen, maar alles wat ik zeg lijkt verkeerd te vallen.

Op woensdag barst de bom. Noor laat per ongeluk een glas vallen in de keuken. Het spat uiteen op de tegels.

‘Zie je wel!’ roept Ria uit. ‘Dat krijg je ervan als je haar niet opvoedt!’

Ik voel iets in mij knappen. ‘Ria, hou op! Je doet alsof alles mijn schuld is!’

Ze kijkt me aan, haar ogen fel. ‘Misschien moet je eens leren luisteren! In dit huis gelden mijn regels!’

Jeroen stormt binnen. ‘Stop allebei! Dit slaat nergens op!’

Noor begint te huilen en ik pak haar op, loop met haar naar boven terwijl mijn hart bonkt in mijn borstkas.

Die avond lig ik wakker in het logeerbed naast Noor, die eindelijk rustig ademt. Ik hoor beneden stemmen – Jeroen en zijn moeder praten zacht maar fel. Ik vang flarden op: ‘Ze doet haar best…’ ‘Jij kiest altijd haar kant…’

De volgende ochtend is het stil aan tafel. Ria kijkt me niet aan. Jeroen probeert luchtig te doen, maar zijn ogen zijn rood van het slechte slapen.

Na het ontbijt besluit ik met Noor naar het park te gaan, alleen. In het park zitten we op een bankje onder een grote kastanjeboom.

‘Mama, waarom is oma zo boos?’ vraagt Noor zachtjes.

Ik slik en kijk haar aan. ‘Oma heeft het soms moeilijk met dingen loslaten,’ zeg ik voorzichtig.

Noor knikt alsof ze het begrijpt en begint bloemen te plukken.

Als we terugkomen, zit Ria in de tuin met een kopje thee. Ze kijkt op als we naderen.

‘Mag ik erbij komen zitten?’ vraag ik aarzelend.

Ze knikt kortaf.

Er valt een lange stilte voordat ze zegt: ‘Het is niet makkelijk om alleen te zijn.’ Haar stem klinkt breekbaar.

Ik voel iets verschuiven in mij. ‘Dat begrijp ik,’ zeg ik zachtjes. ‘Maar soms voelt het alsof er geen plek voor mij is.’

Ze kijkt me aan, haar ogen waterig. ‘Jij hebt Jeroen en Noor… Ik heb alleen herinneringen.’

We zitten daar samen, twee vrouwen die elkaar niet kunnen bereiken maar toch proberen.

De dagen daarna worden iets lichter. We praten voorzichtig over kleine dingen – het weer, de tuin, oude foto’s van Jeroen als kind. Er blijft spanning, maar er is ook iets nieuws: een soort begrip.

Op de laatste avond zitten we samen in de tuin terwijl de zon ondergaat.

‘Misschien moeten we volgend jaar iets anders proberen,’ zegt Ria ineens zachtjes.

Ik glimlach flauwtjes. ‘Misschien wel.’

Als we vertrekken, omhelst ze Noor stevig en kijkt mij even aan voordat ze zegt: ‘Tot ziens.’

In de auto terug naar huis kijk ik naar Jeroen, die opgelucht lijkt te ademen.

‘Het was zwaar,’ zeg ik zachtjes.

Hij knikt. ‘Maar misschien is er iets veranderd.’

En nu vraag ik me af: kun je echt bruggen bouwen over jaren van misverstanden? Of blijven sommige muren altijd staan? Wat denken jullie?