Heb ik het juiste gedaan door mijn zoon en schoondochter te vragen te vertrekken? Mijn hart verscheurd tussen liefde en zelfbehoud

‘Mam, we kunnen écht nergens anders heen. Je begrijpt dat toch wel?’

De stem van mijn zoon, Jeroen, trilt. Ik hoor de wanhoop, maar ook de verwijtende ondertoon. Mijn handen trillen als ik de theepot neerzet. De geur van verse muntthee vult de keuken, maar het voelt alsof er een koude mist tussen ons hangt. Anne, mijn schoondochter, staart naar haar handen. Haar ogen zijn rood van het huilen.

‘Jeroen…’ Mijn stem breekt. ‘Ik kan niet meer. Het spijt me.’

Hoe zijn we hier beland? Ik, Marijke van der Veen, 62 jaar, altijd het baken van mijn gezin, sta nu op het punt mijn eigen kind en zijn vrouw te vragen mijn huis te verlaten. Het voelt als verraad. Maar ik weet niet meer hoe ik verder moet.

Het begon allemaal zo onschuldig. Vorig jaar verloren Jeroen en Anne hun huurwoning in Utrecht. De huisbaas verkocht het pand en binnen twee maanden moesten ze eruit. De huizenmarkt is krankzinnig; zelfs met hun twee inkomens konden ze nergens terecht. Natuurlijk zei ik meteen: ‘Kom maar bij mij wonen, zolang als nodig is.’

De eerste weken waren gezellig. We kookten samen, keken naar Wie is de Mol?, lachten om oude foto’s. Maar na een maand begon het te wringen. Anne werkt onregelmatige diensten in het ziekenhuis en Jeroen werkt thuis als softwareontwikkelaar. Hun ritme botste met het mijne. Ik werd wakker van Anne die om zes uur ’s ochtends de deur uit sloop, of van Jeroen die tot diep in de nacht achter zijn laptop zat te typen.

De ergernissen stapelden zich op. De badkamer was altijd bezet als ik erin wilde. Mijn voorraadkast raakte sneller leeg dan ooit tevoren. En dan die eindeloze discussies over geld: ‘Mam, kunnen we de boodschappen samen doen?’, ‘Mam, mag ik je auto lenen?’

Op een avond, toen ik thuiskwam van een lange dag vrijwilligerswerk in het buurthuis, trof ik de woonkamer vol vrienden van Jeroen en Anne. Bierflesjes op tafel, harde muziek, gelach dat door merg en been ging. Ik voelde me een vreemde in mijn eigen huis.

‘Mam, je bent zo stil,’ zei Jeroen later die avond.

‘Ik ben moe,’ antwoordde ik kortaf.

Maar het was meer dan moeheid. Het was het gevoel dat mijn huis niet meer van mij was.

De weken daarna probeerde ik het gesprek aan te gaan. ‘Misschien kunnen we wat afspraken maken over het gebruik van de badkamer?’ stelde ik voorzichtig voor.

Anne zuchtte diep. ‘We doen toch al ons best, Marijke.’

Jeroen keek weg. ‘We willen je niet tot last zijn.’

Maar ze waren wél tot last. En dat schuldgevoel vrat aan me.

Op een zondagmiddag barstte de bom. Ik had een vriendin uitgenodigd voor koffie, iets wat ik al maanden niet meer had gedaan omdat ik me schaamde voor de chaos in huis. Terwijl we aan tafel zaten, kwam Anne binnenstormen, boos omdat haar fiets was gestolen voor de deur.

‘Dit gebeurt dus altijd in deze buurt! Waarom woon je hier eigenlijk nog?’ snauwde ze tegen mij.

Mijn vriendin keek me geschrokken aan. Ik voelde hoe mijn gezicht warm werd van schaamte én woede.

Die avond lag ik wakker in bed. Mijn hart bonsde in mijn borstkas. Ik dacht aan vroeger, aan hoe Jeroen als kleine jongen altijd bij me kwam als hij bang was voor onweer. Hoe hij huilde toen zijn vader overleed en hoe ik hem toen beloofde dat ik er altijd voor hem zou zijn.

Maar nu voelde ik me leeggezogen.

De volgende ochtend zat ik aan de keukentafel toen Jeroen binnenkwam.

‘Mam, we moeten praten,’ zei hij zacht.

‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dat moeten we.’

We praatten urenlang. Over grenzen, over respect, over hoe moeilijk het is om volwassen kinderen weer in huis te hebben. Jeroen begreep het ergens wel, maar Anne voelde zich verraden.

‘We hebben niemand anders,’ snikte ze.

‘Ik weet het,’ zei ik zacht. ‘Maar ik kan niet meer.’

En zo kwam het moment waarop ik hen vroeg om een andere oplossing te zoeken.

De weken daarna waren een hel. Jeroen sprak nauwelijks tegen me. Anne negeerde me volledig. De spanning was om te snijden.

Uiteindelijk vonden ze via vrienden tijdelijk onderdak in een studio in Amersfoort. De dag dat ze vertrokken, stond ik in de deuropening met tranen in mijn ogen.

‘Dag mam,’ zei Jeroen kil.

Anne keek me niet eens aan.

Toen de deur achter hen dichtviel, voelde ik opluchting én verdriet tegelijk. Het huis was weer stil, weer van mij – maar ook leger dan ooit.

Nu zit ik hier, maanden later, nog steeds met die knoop in mijn maag. Jeroen belt af en toe, maar het contact is afstandelijk geworden. Anne heb ik sindsdien niet meer gezien.

Heb ik gefaald als moeder? Had ik meer moeten geven? Of is het soms juist goed om je eigen grenzen te bewaken?

Ik vraag me af: hoeveel kun je als moeder opofferen voordat je jezelf verliest? En is liefde soms ook nee durven zeggen?

Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?