Tot Hier en Niet Verder: Het Verhaal van een Haagse Moeder en Haar Zoon

‘Tom, je kunt hier niet blijven slapen. Je zus heeft morgen haar tentamen en jij maakt te veel herrie.’ Mijn stem trilt, maar ik probeer streng te klinken. Tom kijkt me aan met die blik die ik zo goed ken: gekwetst, koppig, een mengeling van wanhoop en woede. ‘Waar moet ik dan heen, mam? Jij bent de enige die me nog niet heeft laten vallen.’

Het is half twee ’s nachts in onze kleine flat in Mariahoeve. De muren zijn dun, de buren horen alles. Mijn dochter Sanne ligt in haar kamer te huilen – ik hoor haar gesmoorde snikken door de deur heen. Mijn man, Kees, is vannacht bij zijn broer gaan slapen. Hij kon het niet meer aan, zei hij. ‘Jij kiest altijd voor Tom. En wij dan?’

Ik leun tegen het aanrecht, mijn handen om een koude mok thee geklemd. Tom ijsbeert door de woonkamer, zijn jas nog aan. Hij ruikt naar rook en goedkope aftershave. ‘Mam, ik heb geen geld meer. Ze hebben me eruit gegooid bij de opvang. Ik weet niet wat ik moet doen.’

Mijn hart breekt voor de zoveelste keer. Tom was altijd al anders. Als kind kon hij urenlang naar buiten staren, dromerig, ongrijpbaar. Op school liep hij vast, later raakte hij zijn baan kwijt door zijn eigen koppigheid – of was het onvermogen? Ik weet het niet meer. Wat ik wel weet: ik ben moe. Zo verschrikkelijk moe.

‘Je kunt vannacht blijven,’ zeg ik zacht. ‘Maar morgen moeten we echt iets bedenken.’

De volgende ochtend zit Sanne zwijgend aan tafel, haar ogen rood van het huilen. Ze kijkt me niet aan als ze haar boterham in kleine stukjes scheurt.

‘Mam,’ zegt ze plotseling, ‘ik kan dit niet meer. Waarom moet alles altijd om Tom draaien? Waarom mag hij alles maken?’

Ik wil haar uitleggen dat Tom het moeilijk heeft, dat hij hulp nodig heeft, maar de woorden blijven steken in mijn keel. Kees komt binnen, zijn gezicht strak.

‘Het is klaar, Marjan,’ zegt hij zonder omwegen. ‘Of Tom gaat weg, of ik ga weg.’

De stilte die volgt is oorverdovend. Tom zit op de bank met zijn telefoon, doet alsof hij niets hoort.

Die dag loop ik als een schim door het huis. Ik probeer te werken – ik ben administratief medewerker bij een klein advocatenkantoor – maar mijn hoofd zit vol wat-als-scenario’s. Wat als ik Tom op straat zet? Wat als hij zichzelf iets aandoet? Wat als Sanne haar tentamen niet haalt door alle stress? Wat als Kees echt vertrekt?

’s Avonds probeer ik met Tom te praten.

‘Je vader kan dit niet meer aan,’ begin ik voorzichtig.

‘Hij haat me gewoon,’ snauwt Tom terug.

‘Dat is niet waar. Maar je moet hulp zoeken, Tom. Je kunt hier niet blijven als je niets verandert.’

Hij kijkt me aan met die lege blik die ik zo vrees.

‘Jij snapt het niet. Niemand snapt het.’

De dagen daarna worden een waas van ruzies en stiltes. Sanne trekt zich steeds verder terug; ze slaapt bij vriendinnen of blijft tot laat op de universiteit. Kees praat nauwelijks nog tegen me. Alleen Tom zoekt soms mijn nabijheid – als een kind dat bang is in het donker.

Op een avond barst de bom.

‘Ik ben zwanger,’ zegt Sanne plotseling tijdens het eten.

Mijn vork valt op mijn bord.

‘Van wie?’ vraag ik geschrokken.

‘Dat doet er niet toe,’ zegt ze boos. ‘Ik wil gewoon dat je weet dat ik niet wil dat mijn kind opgroeit in deze chaos.’

Kees staat op en loopt zonder iets te zeggen naar buiten. Tom lacht schamper.

‘Nou mam, gefeliciteerd met oma worden.’

Ik voel me duizelig worden. Alles glipt uit mijn handen: mijn gezin, mijn kinderen, mijn huwelijk.

Die nacht lig ik wakker in bed. Ik hoor Tom zachtjes huilen op de bank in de woonkamer. Ik wil naar hem toe gaan, hem vasthouden zoals vroeger toen hij bang was voor monsters onder zijn bed. Maar ik blijf liggen, verstijfd van angst en verdriet.

De volgende ochtend besluit ik dat het zo niet langer kan.

‘Tom,’ zeg ik terwijl ik hem aankijk, ‘je moet hulp zoeken. Ik kan je niet meer redden. Niet alleen.’

Hij kijkt me aan alsof ik hem verraden heb.

‘Dus je laat me vallen? Jij ook al?’

‘Nee,’ zeg ik zacht. ‘Maar ik moet ook voor mezelf zorgen. En voor Sanne.’

Het is de moeilijkste beslissing van mijn leven. Ik bel de huisarts, regel een afspraak bij maatschappelijk werk. Tom vertrekt uiteindelijk naar een begeleid wonen-project in Scheveningen – boos, teleurgesteld, maar ergens ook opgelucht.

Langzaam keert de rust terug in huis. Sanne haalt haar tentamen en begint voorzichtig te dromen over haar toekomst als moeder. Kees en ik praten weer – aarzelend eerst, maar steeds vaker openhartig over onze angsten en fouten.

Toch blijft er iets knagen. Schuldgevoel? Spijt? Of gewoon het gemis van mijn zoon?

Soms vraag ik me af: Had ik meer kunnen doen? Of is er een moment waarop je als moeder mag zeggen: tot hier en niet verder?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen je kind en jezelf? Waar ligt voor jullie de grens?