Hoe ik mijn kracht vond in geloof: Mijn strijd tegen de stilte na papa’s vertrek
‘Waarom ben je niet gewoon gebleven, pap?’ Mijn stem trilt terwijl ik de deur dicht hoor slaan. Het is 23:17 uur, een gewone dinsdagavond in ons rijtjeshuis in Amersfoort, maar niets voelt nog gewoon. Mijn moeder zit roerloos aan de keukentafel, haar handen om een koude mok thee geklemd. Buiten tikt de regen tegen het raam, alsof de hemel zelf ook huilt.
Ik ben Maarten, 19 jaar, en tot vanavond dacht ik dat mijn leven overzichtelijk was. School, voetbaltraining, vrienden, en thuis altijd het veilige geluid van mijn vader die grapt over Ajax of moppert over de files op de A1. Maar nu is hij weg. Zomaar. Zonder uitleg, zonder afscheid. Alleen een korte brief op het aanrecht: ‘Het spijt me. Ik kan niet meer.’
‘Maarten, ga slapen,’ fluistert mijn moeder. Haar stem klinkt alsof ze door glas praat. Maar ik kan niet slapen. Mijn hoofd bonkt van vragen. Waarom? Was het mijn schuld? Had ik iets kunnen doen? Ik loop naar mijn kamer en staar naar het kruisje boven mijn bed. Het hangt er al sinds mijn doop, maar eerlijk gezegd heb ik er nooit veel aandacht aan besteed.
Die nacht bid ik voor het eerst in jaren. ‘God, als U er bent… help me alsjeblieft. Ik weet niet wat ik moet doen.’
De dagen daarna zijn een waas van stilte en spanning. Mijn moeder praat nauwelijks. Mijn zusje Lotte, pas twaalf, huilt elke avond zachtjes in haar kamer. Op school probeer ik te doen alsof alles normaal is, maar zelfs mijn beste vriend Bas merkt dat er iets mis is.
‘Je bent zo stil, man,’ zegt hij tijdens de pauze. ‘Wil je erover praten?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Hij is gewoon weg, Bas. Mijn vader is weg.’
Bas kijkt ongemakkelijk naar zijn broodje kaas. ‘Misschien komt hij terug?’
‘Dat denk ik niet,’ zeg ik zacht.
’s Avonds hoor ik mijn moeder bellen met oma. ‘Ik weet niet hoe ik dit moet doen, mam,’ snikt ze. ‘De hypotheek, de boodschappen… alles.’
Ik voel me machteloos en boos tegelijk. Waarom heeft hij ons dit aangedaan? Waarom laat hij ons zo achter?
Op zondag sleep ik mezelf mee naar de kerk met mijn moeder en Lotte. Ik voel me verloren tussen de mensen die vrolijk zingen en bidden. Maar als dominee Van Dijk begint te spreken over hoop in donkere tijden, luister ik toch.
‘Soms lijkt het alsof God zwijgt,’ zegt hij. ‘Maar juist dan mogen we blijven bidden. Blijven hopen.’
Na de dienst blijf ik zitten terwijl de kerk leegloopt. Mijn handen trillen als ik weer bid: ‘God, als U echt bestaat… geef me alsjeblieft kracht.’
De weken slepen zich voort. Mijn cijfers op school kelderen. Ik vergeet afspraken, kom te laat op voetbaltraining, en Bas begint me te vermijden omdat ik steeds afsnauw.
Op een avond barst de bom thuis.
‘Maarten, zo kan het niet langer!’ roept mijn moeder terwijl ze de tafel afruimt. ‘Je helpt nergens mee! Je zusje heeft je nodig en ik ook!’
‘Wat wil je dat ik doe?’ schreeuw ik terug. ‘Alsof jij alles zo goed weet! Papa is weg en niemand doet iets!’
Lotte begint te huilen en rent naar boven. Mijn moeder slaat haar handen voor haar gezicht.
Ik storm naar buiten, de regen in, en ren zonder jas door de lege straten van onze wijk. Mijn tranen mengen zich met de regen. Op een verlaten speelplaats zak ik door mijn knieën.
‘God… als U er bent… waarom gebeurt dit allemaal?’ fluister ik.
Plotseling voel ik een vreemde rust over me heen komen. Alsof iemand een warme jas om me heen slaat. Ik huil tot ik leeg ben.
De volgende ochtend besluit ik iets te veranderen. Ik begin kleine dingen te doen: de vaatwasser uitruimen, Lotte helpen met haar huiswerk, boodschappen halen voor mijn moeder. Het voelt zinloos in het begin, maar langzaam merk ik verschil.
Op school spreek ik Bas weer aan.
‘Sorry voor alles,’ zeg ik schor.
Hij knikt alleen maar en slaat een arm om me heen.
’s Avonds bid ik weer. Niet om antwoorden, maar om kracht om door te gaan.
Langzaam wordt het leven weer draaglijker. Mijn moeder lacht soms weer voorzichtig. Lotte vraagt of ik haar wil helpen met haar spreekbeurt over dolfijnen.
Op een dag krijg ik een brief van mijn vader uit Groningen. Hij schrijft dat hij spijt heeft, dat hij zichzelf kwijt was geraakt in zijn werk en zorgen, dat hij niet wist hoe hij moest blijven vechten voor ons gezin.
‘Ik weet niet of je me ooit kunt vergeven,’ schrijft hij.
Ik weet het zelf ook niet. Maar die avond bid ik voor hem – voor zijn rust, zijn gezondheid, zijn geluk – en voel geen woede meer, alleen verdriet en gemis.
De maanden gaan voorbij. We leren leven zonder hem, maar ook met hem op afstand – soms belt hij met Lotte of stuurt hij een kaartje voor mijn verjaardag.
Mijn geloof is geen wondermiddel gebleken; het heeft papa niet teruggebracht en onze problemen niet opgelost. Maar het heeft me wel geholpen om niet op te geven – om elke dag opnieuw te proberen lief te hebben, ook als het pijn doet.
Soms vraag ik me af: hoeveel mensen lopen rond met zo’n stille pijn? En hoeveel van hen vinden hun kracht in iets groters dan zichzelf? Misschien herken jij jezelf wel in mijn verhaal – wat geeft jou hoop als alles donker lijkt?