“Je verpest mijn opvoedmethode!”: Hoe ik als oma moest vechten voor een beetje liefde voor mijn kleinzoon
‘Mam, kun je alsjeblieft niet steeds ingrijpen? Je verpest mijn manier van opvoeden!’ De woorden van mijn schoondochter, Marieke, snijden als messen door de stilte van de woonkamer. Mijn kleinzoon, Bram, kijkt me met grote ogen aan vanaf het kleed waar hij met zijn houten trein speelt. Ik voel hoe mijn handen trillen terwijl ik zijn zachte haartjes probeer te aaien.
‘Ik wilde alleen maar…’ begin ik zacht, maar Marieke onderbreekt me al. ‘Nee mam, je bedoelt het goed, dat weet ik. Maar als hij huilt, moet hij leren zichzelf te troosten. Zo doen we dat nu.’
Het is alsof ik in een andere wereld ben beland. Toen mijn eigen kinderen klein waren, was troosten vanzelfsprekend. Je nam ze op schoot, zong een liedje, gaf een kus op een zere knie. Maar nu lijkt alles anders. Regels, schema’s, methodes uit boeken en blogs. En ik? Ik ben ineens degene die het niet begrijpt.
Die avond lig ik wakker in mijn bed in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn man Kees snurkt zacht naast me. Ik staar naar het plafond en vraag me af: ben ik echt zo ouderwets? Of is er iets mis met deze nieuwe manier van opvoeden? Ik voel me verscheurd tussen het verlangen om Bram te overladen met liefde en de angst om Marieke’s grenzen te overschrijden.
De volgende dag besluit ik het anders aan te pakken. Ik neem een stapje terug, probeer me aan de regels te houden. Maar het voelt onnatuurlijk. Als Bram valt en begint te huilen, kijk ik naar Marieke. Ze knikt: ‘Laat hem maar even.’ Mijn hart breekt als ik zijn snikken hoor. Toch blijf ik zitten, mijn handen samengebald in mijn schoot.
Na een paar minuten stopt Bram met huilen en kijkt hij me aan. Zijn ogen zoeken de mijne, smekend om troost. Ik glimlach dapper, maar vanbinnen voel ik me leeg.
Later die week komt mijn zoon, Jeroen, langs. Hij merkt meteen dat er spanning hangt. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij terwijl hij zijn jas ophangt.
‘Niets,’ zeg ik snel, maar Marieke zucht diep.
‘Je moeder vindt het moeilijk om zich aan onze regels te houden,’ zegt ze tegen Jeroen.
Hij kijkt van haar naar mij. ‘Mam, we waarderen alles wat je doet voor Bram. Maar we willen gewoon consequent zijn.’
Ik knik en slik de brok in mijn keel weg. ‘Ik begrijp het,’ lieg ik.
Maar ’s avonds barst ik in tranen uit bij Kees aan de keukentafel. ‘Ik voel me zo buitengesloten,’ snik ik. ‘Alsof ik niet meer nodig ben.’
Kees legt zijn hand op de mijne. ‘Ze bedoelen het niet kwaad,’ zegt hij zacht. ‘Het is gewoon een andere tijd.’
Toch blijft het knagen. De weken gaan voorbij en ik zie Bram steeds minder vaak. Marieke stuurt korte appjes: ‘We hebben het druk deze week.’ Of: ‘Bram is verkouden, beter geen bezoek.’ Ik weet niet of het waar is of dat ze me op afstand houdt.
Op een dag besluit ik langs te gaan zonder aankondiging. Ik neem een zakje rozijntjes mee voor Bram en klop zacht op de deur. Marieke doet open en haar gezicht betrekt meteen.
‘Oh… hoi,’ zegt ze koeltjes.
‘Ik was toevallig in de buurt,’ lieg ik weer.
Bram komt aangerend en slaat zijn armpjes om mijn benen. Mijn hart smelt.
‘Oma!’ roept hij blij.
Marieke kijkt toe met samengeknepen lippen.
‘Ik heb rozijntjes voor je meegenomen,’ fluister ik tegen Bram.
Marieke zucht hoorbaar. ‘We proberen suiker te vermijden,’ zegt ze streng.
Ik voel me weer een kind dat op haar kop krijgt.
‘Sorry,’ mompel ik en stop het zakje snel weg.
Die middag speel ik met Bram in de tuin terwijl Marieke binnen werkt achter haar laptop. Even voelt alles weer normaal. Bram lacht als we samen bellen blazen en hij springt in de plassen met zijn laarsjes aan.
Maar als hij struikelt en begint te huilen, ren ik naar hem toe en til hem op. Ik wieg hem zachtjes heen en weer, fluister geruststellende woorden in zijn oor.
Plotseling staat Marieke in de deuropening.
‘Mam! Wat heb ik nou gezegd?’ Haar stem trilt van woede.
Ik schrik en zet Bram snel neer. Hij klampt zich huilend aan mijn been vast.
‘Hij had pijn,’ probeer ik uit te leggen.
‘Hij moet leren zelf op te staan,’ zegt Marieke fel.
Die avond krijg ik een berichtje van Jeroen: “Mam, misschien is het beter als je voorlopig even wat afstand houdt.”
Mijn wereld stort in. Ik voel me verraden door mijn eigen zoon. Kees probeert me te troosten, maar niets helpt. De dagen erna staar ik doelloos uit het raam, kijkend naar spelende kinderen in de straat die allemaal hun oma’s lijken te omarmen zonder regels of voorwaarden.
Na weken van stilte belt Jeroen eindelijk op. Zijn stem klinkt onzeker.
‘Mam… Bram vraagt steeds naar je.’
Mijn hart maakt een sprongetje van hoop.
‘Mag ik langskomen?’ vraag ik voorzichtig.
‘Misschien kunnen we samen praten,’ stelt Jeroen voor.
We spreken af bij hen thuis. Marieke zit al aan tafel als ik binnenkom, haar armen over elkaar geslagen.
‘We willen niet dat je denkt dat je geen rol speelt in Brams leven,’ begint Jeroen voorzichtig.
Marieke zucht diep. ‘Maar we willen wel dat je onze keuzes respecteert.’
Ik knik langzaam. ‘Ik wil alleen maar dat Bram weet dat hij altijd bij mij terecht kan,’ zeg ik met trillende stem.
Er valt een lange stilte.
Dan zegt Marieke zachter: ‘Misschien kunnen we afspraken maken over wat wel en niet kan.’
We praten urenlang over opvoeding, liefde en grenzen. Het is pijnlijk en confronterend, maar ergens voel ik ook opluchting. We komen tot een compromis: als Bram valt, mag ik hem troosten – maar zonder hem meteen op te tillen; als hij huilt, mag ik naast hem zitten en zijn hand vasthouden.
Het is niet zoals vroeger, maar het is iets.
De eerste keer dat Bram weer bij ons logeert, zit hij ’s avonds op schoot bij Kees terwijl we samen naar oude foto’s kijken. Hij lacht om de verhalen over zijn vader als kleine jongen – hoe Jeroen ooit met zijn fietsje in de sloot belandde en hoe oma toen een dikke plak ontbijtkoek gaf om hem te troosten.
Bram kijkt me aan met diezelfde grote ogen als toen op het kleedje.
‘Oma?’ vraagt hij zachtjes. ‘Mag jij mij altijd troosten?’
Ik slik en knik langzaam. ‘Altijd, lieverd – op jouw manier.’
Soms vraag ik me af: wanneer is liefde teveel? En wie bepaalt eigenlijk wat goed is voor een kind? Misschien moeten we allemaal wat meer naar ons hart luisteren – of ben ik gewoon hopeloos ouderwets?