Niemand neemt mijn waardigheid af: Het verhaal van Marloes uit Rotterdam, die alles overleefde

‘Marloes, je hoeft hier niet meer te blijven. Je hebt ons genoeg gekost.’ De woorden van mijn moeder sneden als messen door de stilte van onze kleine woonkamer in Rotterdam-Zuid. Mijn vader keek zwijgend naar zijn handen, alsof hij hoopte dat ik vanzelf zou verdwijnen. Mijn zusje, Anne, stond achter mijn moeder, haar armen over elkaar, haar blik koud.

Ik voelde mijn keel dichtknijpen. ‘Maar mam, waar moet ik dan heen? Ik heb niemand anders…’ Mijn stem trilde, maar ik probeerde rechtop te blijven staan, mijn schouders niet te laten hangen.

‘Dat is niet meer ons probleem, Marloes. Je bent achttien, je moet nu je eigen boontjes doppen. We kunnen je niet blijven onderhouden. Je hebt je school niet afgemaakt, je hebt geen werk. Je brengt alleen maar problemen.’

Ik wilde schreeuwen, smeken, maar ik wist dat het geen zin had. Mijn moeder had haar besluit genomen. Ik pakte die avond mijn tas, stopte er wat kleren in, een oude foto van mij en Anne toen we nog kinderen waren, en liep de deur uit. Het regende. De straten van Rotterdam glommen in het natte licht van de lantaarns. Ik voelde me leeg, alsof ik niet meer bestond.

De eerste nachten sliep ik bij een vriendin, Sanne, maar haar ouders waren niet blij met mijn komst. ‘We kunnen geen extra mond voeden, Marloes,’ zei haar moeder zachtjes. Ik voelde de schaamte branden op mijn wangen. Uiteindelijk sliep ik op een bankje in het park, mijn tas als kussen. Ik was bang, koud, en vooral: alleen.

De dagen werden weken. Ik probeerde werk te vinden, maar zonder diploma en met wallen onder mijn ogen was ik nergens welkom. ‘Sorry, we zoeken iemand met ervaring,’ hoorde ik keer op keer. Soms at ik dagenlang niet. Ik schaamde me om naar de voedselbank te gaan, maar op een dag was de honger te groot. Ik stond in de rij, keek naar de mensen om me heen. Niemand sprak. Iedereen keek naar de grond. Ik voelde me een schim van wie ik ooit was.

Op een dag liep ik langs het water bij de Maas. De wind sneed door mijn jas. Ik dacht aan vroeger, aan hoe Anne en ik samen speelden in het Kralingse Bos, hoe mijn moeder ons in bad deed en liedjes zong. Waar was het misgegaan? Waarom was ik nu hier, alleen, zonder toekomst?

Ik vond een kamer in een kraakpand aan de rand van de stad. De muren waren vochtig, het rook er naar schimmel, maar het was beter dan de straat. De andere bewoners waren vriendelijk, maar allemaal hadden ze hun eigen problemen. ‘We zijn hier allemaal gevallen, Marloes,’ zei Jeroen, een man van in de vijftig met een grijze baard. ‘Maar we staan nog. Dat is wat telt.’

Soms dacht ik eraan om terug te gaan naar huis, om mijn moeder te smeken me terug te nemen. Maar ik wist dat ze haar hart had gesloten. Ik hoorde via-via dat Anne was gaan studeren, dat mijn ouders trots op haar waren. Ik voelde jaloezie, maar ook verdriet. Waarom was ik niet goed genoeg?

Op een avond zat ik in de keuken van het kraakpand, een kop lauwe thee in mijn handen. Jeroen kwam naast me zitten. ‘Je bent sterker dan je denkt, Marloes. Je hebt het tot hier gered. Dat is niet niks.’

‘Maar wat heeft het voor zin?’ vroeg ik. ‘Ik heb niks. Geen familie, geen geld, geen toekomst.’

Jeroen keek me aan. ‘Je hebt jezelf nog. En dat is meer waard dan je denkt. Laat niemand je dat afnemen.’

Zijn woorden bleven in mijn hoofd hangen. Misschien had hij gelijk. Misschien moest ik niet wachten tot iemand me kwam redden, maar mezelf proberen te redden. De volgende dag schreef ik me in bij een traject voor jongeren zonder diploma. Het was zwaar, ik voelde me vaak dom tussen de anderen, maar ik hield vol. Elke dag stond ik op, probeerde ik iets te leren, probeerde ik niet op te geven.

Langzaam begon ik te veranderen. Ik kreeg een bijbaantje in een supermarkt. Het was niet veel, maar het was iets. Ik spaarde elke euro, kocht af en toe een broodje voor iemand anders in het kraakpand. We hielpen elkaar, deelden wat we hadden. Ik voelde me weer mens.

Na een jaar had ik mijn diploma gehaald. Ik was trots, voor het eerst in jaren. Ik stuurde een kaart naar mijn moeder, zonder verwachting. ‘Ik heb mijn diploma gehaald. Het gaat goed met mij. Groetjes, Marloes.’ Er kwam geen antwoord, maar dat deed minder pijn dan ik had gedacht.

Ik vond een kleine studio in Rotterdam-West. Het was niet groot, maar het was van mij. Ik hing de oude foto van Anne en mij aan de muur. Soms dacht ik aan haar, vroeg me af of ze ooit aan mij dacht. Ik miste haar, maar ik wist dat ik haar moest loslaten.

Op een dag stond Anne ineens voor mijn deur. Ze zag er anders uit, ouder, vermoeider. ‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze zacht.

We zaten samen aan de keukentafel, dronken thee. Ze vertelde dat het thuis niet goed ging, dat onze moeder ziek was, dat ze spijt had van hoe alles was gelopen. ‘Ik mis je, Marloes. Ik had je nooit moeten laten gaan.’

Ik voelde de tranen branden, maar ik hield me groot. ‘Het is goed, Anne. Ik heb geleerd voor mezelf te zorgen. Maar ik miste jou ook.’

We praatten uren, haalden herinneringen op, lachten en huilden. Voor het eerst voelde ik me niet meer alleen. Ik had mezelf teruggevonden, en misschien, heel misschien, vond ik mijn familie ook weer terug.

Soms kijk ik uit het raam van mijn studio, naar de stad die me alles heeft afgenomen, maar ook alles heeft gegeven. Ik vraag me af: hoeveel mensen lopen er rond zoals ik, onzichtbaar, vechtend voor hun waardigheid? En wie zijn wij om over hen te oordelen? Misschien is het tijd dat we elkaar weer gaan zien. Wat denken jullie?