Een Week Zonder Slaap: Hoe Mijn Man Verdween en Mijn Leven Op Zijn Kop Stond
‘Waar ben je nou, Daan?’ Mijn stem trilt terwijl ik zijn naam fluister in het donker. Het is drie uur ’s nachts, de regen tikt onophoudelijk tegen het raam van onze flat in Utrecht. Mijn dochtertje Noor slaapt eindelijk, haar ademhaling zacht en onschuldig, terwijl ik met mijn telefoon in de hand op de bank zit. Geen bericht. Geen teken van leven. Alleen de echo van zijn stem in mijn hoofd, die vanavond nog zei: ‘Ik moet even weg, Sanne. Ik trek dit niet meer.’
Ik weet niet eens meer hoe lang ik al niet heb geslapen. Alles voelt wazig, alsof ik in een slechte film speel. Mijn moeder belde eerder vandaag. ‘Sanne, hij is altijd al zo geweest. Daan is niet sterk genoeg voor het echte leven. Je moet aan jezelf denken, en aan Noor.’ Maar hoe kan ik aan mezelf denken als alles wat ik doe, draait om het gezin dat ik nu in mijn eentje moet dragen?
De volgende ochtend, of wat daarvoor doorgaat, word ik wakker van het gehuil van Noor. Mijn hoofd bonkt. Ik sleep mezelf naar haar kamertje. ‘Mama is hier, schatje,’ zeg ik, terwijl ik haar optil. Haar warme lijfje tegen mijn borst is het enige wat me nog op de been houdt. In de keuken probeer ik koffie te zetten, maar mijn handen trillen zo erg dat ik de filter laat vallen. Koffieprut overal. Ik zak op de grond en voel de tranen over mijn wangen stromen. ‘Waarom, Daan? Waarom nu?’
Mijn telefoon trilt. Een appje van mijn schoonzus, Marieke: ‘Heb je al iets gehoord van Daan? Maak me zorgen.’ Ik staar naar het scherm. Wat moet ik zeggen? Dat ik geen idee heb waar haar broer is? Dat ik bang ben dat hij niet meer terugkomt? Ik typ: ‘Nog niks gehoord. Ik laat het weten als ik iets weet.’
De dag sleept zich voort. Noor wil naar buiten, maar het regent nog steeds. Ik trek haar regenlaarsjes aan en we lopen naar het parkje om de hoek. De lucht is grijs, de bomen kaal. Noor lacht als ze in een plas springt. Even glimlach ik, maar het gevoel van leegte blijft. Op de terugweg kom ik buurvrouw Els tegen. ‘Alles goed, Sanne? Je ziet er moe uit.’
‘Het gaat wel,’ lieg ik. ‘Daan is even weg.’
Els knikt begrijpend, maar haar ogen verraden medelijden. ‘Als je hulp nodig hebt, je weet me te vinden.’
Thuis probeer ik Noor te vermaken met knutselen, maar mijn gedachten dwalen steeds af. Waar is Daan? Heeft hij iemand anders? Of is hij echt zo gebroken als mijn moeder zegt? We hadden ruzie, ja. Maar wie niet? Hij was de laatste tijd stil, afwezig. Soms dacht ik dat hij me niet meer zag staan. Maar ik had nooit gedacht dat hij zomaar zou verdwijnen.
’s Avonds, als Noor eindelijk slaapt, bel ik mijn moeder. ‘Mam, ik weet het niet meer. Wat als hij niet terugkomt?’
‘Dan komt hij niet terug, Sanne. Je bent sterk genoeg. Je hebt Noor. Je hebt mij.’
‘Maar ik wil hem niet kwijt, mam. Ik wil gewoon dat alles weer normaal is.’
‘Normaal bestaat niet meer, lieverd. Je moet vooruitkijken.’
Ik hang op en staar naar de lege plek op de bank waar Daan altijd zat. Zijn trui ligt er nog, slordig over de leuning gegooid. Ik trek hem naar me toe, ruik eraan. Zijn geur. Mijn hart breekt opnieuw.
De dagen erna zijn een waas van vermoeidheid en zorgen. Noor vraagt steeds: ‘Waar is papa?’ Ik weet niet wat ik moet zeggen. ‘Papa is even weg, schatje. Hij komt wel terug.’ Maar ik geloof het zelf niet meer. Mijn schoonouders bellen. ‘Sanne, heb je al iets gehoord? We maken ons zorgen.’
‘Nee, nog steeds niks. Als ik iets hoor, bel ik meteen.’
Mijn moeder komt langs met een pan soep. Ze zet zich aan tafel en kijkt me streng aan. ‘Je moet niet blijven hangen in het verleden, Sanne. Daan was altijd al zwak. Je hebt meer aan Noor dan aan hem.’
‘Mam, hou op. Je kent hem niet zoals ik hem ken. Hij was niet altijd zo. Vroeger was hij vrolijk, zorgzaam. Hij hield van ons.’
‘Mensen veranderen. Soms niet ten goede.’
Ik wil schreeuwen, maar ik slik mijn woede in. Mijn moeder bedoelt het goed, maar ze begrijpt het niet. Ze heeft nooit begrepen waarom ik voor Daan koos. ‘Hij is niet stabiel, Sanne. Je verdient beter.’
’s Nachts lig ik wakker. Ik hoor de regen, het zachte gesnurk van Noor. Mijn gedachten malen. Had ik het kunnen voorkomen? Had ik beter moeten luisteren? Minder moeten zeuren over geld, over zijn baan die hij niet leuk vond? Misschien was ik te veeleisend. Misschien was ik niet genoeg.
Op dag vier krijg ik een bericht van Daan. ‘Het spijt me. Ik kan het niet meer. Zorg goed voor Noor. Ik hou van jullie, maar ik moet weg.’
Mijn handen trillen als ik het lees. Ik bel hem meteen, maar hij neemt niet op. Ik stuur hem tientallen berichten, smeek hem om terug te komen. Geen reactie. Ik voel me leeg, alsof iemand een gat in mijn borst heeft geslagen.
Noor merkt dat er iets mis is. Ze huilt vaker, klampt zich aan me vast. Ik probeer sterk te zijn, maar soms schreeuw ik tegen haar, uit pure frustratie. Daarna voel ik me schuldig. ‘Sorry, lieverd. Mama is gewoon moe.’
Op dag vijf belt Marieke. ‘Sanne, ik heb Daan gesproken. Hij zit bij een vriend in Groningen. Hij zegt dat hij tijd nodig heeft.’
‘Waarom heeft hij mij dan niks laten weten?’
‘Hij schaamt zich. Hij denkt dat hij jullie in de steek heeft gelaten.’
‘Dat heeft hij ook.’
‘Geef hem tijd, Sanne. Misschien komt hij terug.’
Ik weet niet of ik dat wil. Wil ik iemand terug die zomaar wegloopt? Maar ik mis hem zo. Alles in huis herinnert aan hem. Zijn tandenborstel, zijn boeken, zijn jas aan de kapstok. Noor vraagt nog steeds elke dag naar hem. ‘Papa komt toch wel terug, mama?’
‘Ik weet het niet, schatje. Ik hoop het.’
De nachten zijn het ergst. Ik lig wakker, luister naar de stad die nooit helemaal stil is. Mijn gedachten zijn een warboel. Wat als hij nooit meer terugkomt? Hoe moet ik verder? Kan ik dit alleen?
Op dag zes komt mijn moeder weer langs. Ze brengt boodschappen mee en probeert me op te beuren. ‘Je moet niet blijven hangen, Sanne. Je bent jong, je vindt wel weer iemand.’
‘Ik wil niemand anders, mam. Ik wil Daan. Of in ieder geval duidelijkheid.’
‘Soms krijg je die niet. Soms moet je gewoon doorgaan.’
Ik word boos. ‘Jij hebt makkelijk praten. Jij hebt papa nooit laten gaan. Jullie zijn altijd samen gebleven, hoe moeilijk het ook was.’
‘Dat was vroeger, Sanne. Mensen geven nu sneller op. Maar misschien is dat soms beter.’
Ik weet het niet. Alles voelt zinloos. Noor is het enige lichtpuntje. Haar lach, haar knuffels. Maar zelfs zij kan het gat niet vullen dat Daan heeft achtergelaten.
Op dag zeven, precies een week nadat Daan vertrok, krijg ik een kaartje in de brievenbus. Zijn handschrift. ‘Lieve Sanne, ik weet dat ik je pijn doe. Ik weet niet of ik ooit terug kan komen. Ik ben kapot van binnen. Het ligt niet aan jou. Vergeef me alsjeblieft. Daan.’
Ik zak op de grond, het kaartje in mijn handen. De tranen stromen. Noor komt naast me zitten en slaat haar armpjes om me heen. ‘Niet huilen, mama.’
Ik weet niet hoe het verder moet. Ik weet niet of ik hem ooit kan vergeven. Maar ik weet wel dat ik door moet, voor Noor. Voor mezelf. Maar hoe doe je dat, als je hart in duizend stukjes ligt?
Hebben jullie ooit zoiets meegemaakt? Hoe vind je de kracht om door te gaan als alles wat je kent ineens wegvalt? Deel alsjeblieft je ervaringen, want ik voel me zo alleen.